rotwereld, hellfire & damnation?


~*~

Voor
wie de
hemel is: de
hemel is voor wie
de aarde liefhebben,
de hel voor wie haar
haten
...



Niettemin,
de hemel
hebben we niet
helemaal voor niets
uitgevonden.

Ze is er
voor de nabestaanden, die verder moeten zonder.
We moeten de doden uit handen geven [begraven, heet het] maar waar blijven ze?
De dode, die weet [van]
niets meer:



Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil,
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer
kan hebben,
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is.



Nog eens dezelfde Passoa. Indrukwekkend.
Een vriend wilde het op zijn begrafenis voorgelezen hebben en zo geschiedde.
Een preek was niet meer
nodig.



Maar
de hemel dan?
Die reserveren we voor de moeder die verdronk,
en voor het kindje dat zij baarde, in de nacht van de watersnood,
de nacht van 31 Januari 1953.
[Ik was acht en hoorde de stormwind op de radio.]
Op een zolder die het nog een uurtje uithield, alsof het water even wachtte tot het kind
het levenlicht kon aanschouwen, om dan toe te slaan.
Aantal slachtoffers niet 1835, zei een Zeeuwse oma voor de televisie: niet 1835 maar 1836,
dat ene kind staat niet in de boeken
maar het telt wel mee.
Hartverscheurend.

Wat moeten we
met moeders die voor niets weeen doorstaan,
die kinderen baren om ze te zien verdrinken,
wat met een meisje dat ziek in Westerbork aankomt,
en op de dag dat ze gezond de ziekenboeg uitstapt, op de trein naar Auschwitz wordt gezet
[Etty Hillesum vertelt het]?

Wat moeten we
in zo'n rotwereld waar
niet EEN enkele moeder,
maar duizenden moeders hun kinderen zien verdrinken
en kinderen hun moeders?

Inderdaad,
om ermee te kunnen leven
hebben we een hemel nodig.
Ook strijd [ik ben geen quietist],
maar de dagen dat we dachten met strijd alle kwaad te kunnen uitroeien zijn voorbij.
Om niet de hele dag te hoeven denken aan mensen die voor niks ter wereld kwamen,
daarvoor zetten we de
hemel in.



Als verbeelding.
Dat wil zeggen: er zit niets in, er hoeft niets in te zitten,
het is een voorstelling die werkt, en ons voor het ogenblik verzoent met de grote scheiding.
We bezweren er de ondraaglijke zwaarte van ons bestaan mee.
Hadden we niet de beschikking over onze verbeelding,
we zouden aan de ondraaglijke lichtheid ervan
bezwijken.


Marina Tsvetajeva
schrijft een In Memoriam op Rainer Maria Rilke,
een dichter met wie zij zich hartsverbonden voelde.
Het gedicht, getiteld Gelukkig Nieuwjaar of ook Nieuwjaarswens [ze is een Russische dichter]
heeft de vorm van een lange brief aan de dode Rilke.
Ze vraagt in die brief van alles aan hem:
hoe is het daar in de hemel, is het waar dat er meer dan EEN g d is, kun je daar schrijven,
met het hoofd in je handpalm nieuwe rijmwoorden opduiken, en meer van dit soort regels die
als het ware vliegen en haasje over duikelen
met elkaar.

Ze verhult ermee
wat haar het schrijven onmogelijk zou maken als ze moest zeggen wat haar eigenlijk bezielde. Zoals je aan een doodzieke soms vraagt of die een aardige dokter heeft,
maar dat bedoel je niet; wat je bedoelt kun je niet over je lippen krijgen.
Zo lees ik Marina Tsvetajeva. Ze eindigt het gedicht zoals een echte intieme brief
eindigt:


- opdat hij niet nat wordt houdt ik hem in mijn handpalm -
Boven de Rhone en boven de Rarogne,
Boven de scherpe en volkomen scheiding
Aan Rainer - Maria - Rilke - in handen.


In handen?



De tranen
sprongen in mijn ogen,
toen ik het voor het eerst las. Joseph Brodsky zegt in een uitvoerige bespreking van het gedicht
dat de dood van een dichter, Rilkes dood dus en die van Marina Tsvetajeva,
die zichzelf [zoals zovelen van ons] het leven benam - Joseph Brodsky zegt dat de dood van een dichter meer is dan een menselijk verlies.
Ze is 'bovenal een tragedie van de taal: de tragedie dat de talige ervaring niet is opgewassen tegen
de existentiele ervaring'. De taal, zelfs die van de dichter,
legt het af tegen
de dood.



Onze eigen Achterberg
kun je er ook voor raadplegen.
EEN van zijn vroegere bundels draagt als titel de naam van de dodenstad Thebe.
Die titel zegt wie Achterberg was, de dichter die het levendmakende woord uittest op de dode geliefde.


EN?
MAAKT het woord LEVEND?
Als hij in de onderwereld op zijn beminde stuit,
dan hoort hij nog dat ze hem een vraag stelde.

Het gedicht eindigt als volgt:


Een taal waarvoor geen teken is
In dit heelal,
Verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
En ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
Vervaald en veel
te vroeg.


Ik
heb vandaag
de witte tandarts
opgezocht:
zij heeft mij weer [alweer]
voor de zoveelste keer geholpen.
De bramen op het graf gesnoeid en gefietst over de hei
waar de kogel
vloog
...


Janosch de Kat
hij weet van niets [denk ik],
maar toch geniet hij van de dagen en de nachten:
hij is zichzelf al heeft hij ook geen ballen meer en hij weet hoogstwaarschijnlijk toch veel meer
dan ik ooit nog zal gaan ontdekken.

Zo komen hemel, aarde, hel en vuur terug in lucht en leven,
dit menselijk bestaan is maar voor even en voordat we het weten is het al voorbij.
Het geeft niet want ondanks dat alles voel ik mij toch vrij:
ik laat de woorden komen, laat ze los om zelf weer te gaan vliegen,
ze komen en ze gaan naar eigen welbelieven
ik sta erbij en kijk ernaar en draag
mijn steentje bij nu het
nog kan
engel
liefdesverdriet
verliefd
~@~
08 aug 2006 - bewerkt op 03 jun 2008 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 81 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende