De oeroude kerkvader Augustinus van meer dan 1600 jaar geleden wist zich rond 390 na de geboorte van 'christos' ook al te keren als 't ware bij wijze van spreken & schrijven tegen 't floddertokkiegebeuren van zijn dagen: menselijke geschiedenis is nu eenmaal 'n zaak van horten & stoten met al die vrijen & slaven, zwarten & witten, wijzen & dommen, schapen & geiten ...
Als je aan tafel gaat, luister dan in stilte & eensgezindheid naar de gebruikelijke lezing tot je weer van tafel opstaat, want gij zult niet alleen maar met de mond voedsel tot u nemen, maar ook uw oren moeten hongeren naar 't "woord van g d".
Zo'n 10 jaar later vertelde hij over z'n zielenroerselen die hem dusdanig bezighielden dat hij er meer over wou zeggen aan een ieder:
'En zo greep ik gretig naar de eerwaardige Schriften uws geestes & bovenal naar die van de apostel Paulos. En al de moeilijkheden verdwenen die ik eens had, toen 't mij scheen dat de inhoud van zijn woorden met zichzelf in tegenspraak was
& niet overeenstemde met de getuigenissen der Wet & der Profeten. De heilige uitspraken deden zich nu aan mij voor als van EEN & hetzelfde karakter & ik leerde mij verheugen met beving. En ik begon, & vond, dat al 't ware dat ik daar, in die andere boeken, gelezen had, ook HIER gezegd werd met een heenwijzen naar Uw genade!' Ik wierp mij onder een vijgeboom neer, ik weet niet hoe, & liet mijn tranen de vrije loop & de stromen mijner ogen braken los, als 'n welbehaaglijk offer voor U! En veel sprak ik tot u, zij 't niet met dezelfde woorden, dan toch in deze zin:
'En Gij, Heere, hoe lange? Hoe lang, Heere, zult Gij eeuwiglijk toornen? Gedenk ons de vorige misdaden niet!' Want ik gevoelde, dat zij mij vast-hielden. En ik riep de klagelijke woorden uit:
'Hoe lang, hoe lang nog zal het zijn: "morgen, altijd door morgen?" Waarom niet nu? Waarom niet in deze ure het einde mijner smaadheid?' Zo sprak ik en ik weende in de bitterste verbrijzelingen
mijns harten.
En zie, daar hoor ik 'n stem uit de naburige woning, alsof 'n knaap of een meisje, dat weet ik niet, op zingende toon zeide & dikwijls herhaalde:
'Neem, lees; neem, lees.' Terstond nam m'n gelaat 'n andere uitdrukking aan & met de grootste inspanning begon ik na te denken, of de kinderen in het ene of andere spel iets dergelijks ook plachten te zingen, maar ik herinnerde mij in 't geheel niet het ergens gehoord te hebben. Na de aandrang mijner tranen onderdrukt te hebben, stond ik op, daar ik het niet anders kon verklaren, dan dat mij van godswege bevolen werd, het boek te openen & 't eerste hoofdstuk, dat ik zou vinden, te lezen.
{...}
Derhalve snelde ik terug naar de plaats, waar Alypius zat: want daar had ik het boek van de apostel neergelegd, toen ik daar vandaan opgestaan was. Ik greep het, opende het & las zwijgend de plaats, waar mijn ogen het eerst op vielen:
'niet in brasserijen & dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid, maar doet aan de Heere [Yehosjoea de Gezalfde] & ver-zorgt 't vlees niet tot begeerlijkheden!' Verder wilde ik niet lezen & dat was ook niet meer nodig. Want terstond, toen ik deze woorden ten einde gelezen had, stroomde als 't ware 't licht der gemoedsrust m'n hart binnen & alle duisternis van twijfel vlood heen ...
