min{d}stens honderddertig jaar zuchten en smeken
~*~
Herhaal
het gestadig,
dat gij me bemint,
en dat ge in mijn liefde
ook uw zaligheid
vindt;
Want
nooit houdt
uw schoonheid
mij sterker geboeid
dan als van uw lippen
die hemeltaal vloeit,
en nooit siert u 't blosjen
met lieflijker pracht,
en nooit straalt uw oogjen
zoo tooverend zacht,
en nooit is uw stemme
vol zoeter muzijk,
en nooit is het harte me
aan weelde zoo rijk,
dan als gij er stamelt
dat gij me bemind,
en dat ge in mijn liefde
ook uw zaligheid
vindt.
De kwijnende
lelie, die 't hoofd buigt in rouw,
nooit dorstte ze sterker naar lavenden dauw:
de nachtegaal smachtte nooit zoo naar de roos,
die hij eens uit duizend ter bruid zich verkoos,
en nooit wenscht zij warmer naar 't smeltende lied,
dat hem, haar ter hulde, zoo roerend ontvliet,
dan ik steeds verlange naar 't zoete bekennen,
dat gij mij behoort, naar 't stamelend fluistren,
dat gij me bemint en dat ge
in mijn liefde ook
uw zaligheid
vindt.
Bij
morgen,
bij avond,
verdrijft het mijn smart,
bij morgen, bij avond,
verkwikt het
mijn hart.
Bij
zomer,
bij winter,
verhoogt het
mijn moed,
bij zomer, bij winter,
vermeert het mijn
gloed.
De taak,
die in de uchtend
gestaag me verbeidt,
Vindt altijd mij dubbel gewillig bereid;
En de avond, wanneer hij de velden begroet,
is dubbel me een avond van ruste en van zoet,
Lees ik in uw oogjen,
dat nimmer bedriegt,
Klinkt mij van uw mondjen,
dat huichelt, noch liegt,
dat gij, wat verwissel,
mij eindeloos mint en dat ge
in mijn liefde ook
uw zaligheid
vindt.
EN
Daarom,
Verhoor MIJ,
Aanvallige Maagd!
Zoo vaak van mijn lippen
ze u af wordt gevraagd,
Die Zoete Herhaling
van 't streelendste woord,
Die Zoete Verklaring
dat GIJ me behoort;
of als die mijn ogen
vol leven en vuur,
U smeeken te lezen
in 't oog van
azuur.
Geen
hoogere weelde
voor 's minnaars gemoed,
dat alle zijn zuchten en tranen vergoedt,
dan dat hem zijn schoone gedurig verhaalt:
"IK min u zoo lang me de zonnen bestraalt,
het is mij een spoorslag tot eindlooze min
het voedstert mijn vlammen, het heiligt mijn zin,
het voegt aan de keten, waarmee gij me omvangt,
gedurig een schakel,
die hechter me
prangt.
O
Lichte Ons
de Fakkel der Liefde steeds voor,
en streel zij ons immer,
als thands, door heur
gloor.
Verstaan
onze zielen elkandere steeds,
te midden des voorspoeds,
te midden des
leeds.
Wat
starre der liefde
er ook onder moog gaan,
in spijt van de jaren,
blijf de onze
bestaan!
Ja,
lees ik
nog eenmaal!,
Als Aarde me ontzinkt,
In 't Traantjen dat Bevend in 't Oog u dan blinkt,
In 't Bleek uwer wangen, Dat Gij Me Bemint,
en dat Ik Uw Liefde HierBoven
hervind!
~#~

Asih, man, 81 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende