~@~
DIE
'ander'.
~*~
IK
reken op je.
Ik sta hier
in deze wereld
voor jou
als de verpersoonlijkte vraag
[de bedding],
die mijn machteloosheid
openbaart.
Mijzelf
kan ik niet laten groeien.
Ik kan mezelf niet behouden,
niet gelukkig maken,
niet het kleinste licht doen zien.
Op JOU hoop ik,
die was en komende en
wordende is ook in mij.
Mijn levende hoop is,
dat JIJ mij JOUW GEZICHT wilt doen zien.
En als 'al die anderen' dan zeggen:
wat gek is dat,
om niet te hopen op de kracht van de wereld of jouzelf,
dan kan ik als doof en stom zijn voor deze stemmen,
want mijn oor is nu open naar de eeuwigheid
en in de stilte luister ik
naar jouw stem:
en als ik jou in mijn hart hoor zeggen,
hoe jij mij helpen kunt
en bij mij wilt zijn,
dan open ik mijn mond
en spreek ik met jou,
die alleen maar mijn liefde
kunt zijn.
OP
JOU,
mijn liefste,
hoop ik
en mijn geloof
voegt eraan toe:
JIJ begrijpt mij
want jij bent met mij!
Vol levende hoop
zegt mijn hart:
jij wilt naar mij luisteren.
Stil spreek ik het uit in deze wereld:
jij die tot mij komt en in mij
wordende aanwezig bent,
mijn g d.
DE
wet van
de geest die leven brengt,
heeft mij bevrijd van de wet van de dood.
Waartoe alleen maar de natuurwet niet in staat was,
machteloos als hij was door de oude menselijke natuur,
dat heeft g d in ons tot stand gebracht.
Vanwege de verdwazing is hij als mens in dit ondermaanse gekomen:
ZO hebben wij in dit bestaan met de waanzin afgerekend,
opdat in ons wordt vervolmaakt wat de wet ooit van ons eiste.
Ons leven wordt nu niet meer langer beheerst
door onze oude natuur,
maar door de
Geest.
WIE
zich door
de oude natuur laat leiden
is alleen maar gericht op wat het ZELF wil,
maar wie zich laat leiden door de geest is gericht op wat de geest wil.
Wat onze eigen oude wil bracht is alleen maar de dood,
maar wat de geest wil brengt
leven in vrede.
Onze eigen
oude dierlijke wil
staat vijandig tegenover de geest,
want die onderwierp zich alleen maar aan het instinct en niet aan de nieuwe wet van de geest,
en was daar ook niet uit zichzelf toe in staat.
Wie zich alleen maar door eigen instinctieve dierlijke wil en verlangen laat leiden,
kan de geest nog niet
echt behagen.
Maar JIJ
leeft niet meer 'zomaar'.
JIJ laat je leiden door de geest,
want de geest van g d woont in jou.
Iemand die zich niet laat leiden door de geest van g d blijft een banneling,
een verslaafde gevangene.
Als g d in ons leeft, dan zijn we door de natuurwetten
weliswaar sterfelijk en zwak,
maar de geest schenkt ons leven, omdat we door g d als
zijn eigen mensenkinderen zijn aangenomen.
Want als de geest van hem die Yesjoe heeft opgewekt in ons,
dan zal die geest ook ons die sterfelijk zijn, levend maken
door de geest.
We
hoeven
ons nu niet meer
alleen maar te laten leiden door onze eigen kortzichtige wil.
Als we dat wel doen dan zijn we al gestorven in de geest
terwijl ons lichaam nog leeft.
Maar als we die primitieve wil laten opgroeien en opbloeien door en tot de geest,
dan vinden we leven.
Allen die door die geest van g d worden geleid zijn daardoor
en daarom ook kinderen van g d.
We hebben die geest die levend maakt en die was en komende
en wordende is in ons
niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven.
We hebben die geest ontvangen om nu ook
g ds kinderen te worden en te zijn.
ZO kunnen we ons pas echt
herkennen in
de ander.
DIE
geest zelf
verzekert ons dat we
kinderen van g d zijn in geestelijke groei:
en nu we g ds kinderen zijn als erfgenamen,
zijn we dan ook erfgenamen
van "G D"
...
WIJ
delen
samen met Yesjoe
in zijn lijden om met hem te kunnen delen
in g ds schoonheid en pracht in de nieuwe tijd
die nu ook voor ons gekomen is:
en ik ben ervan overtuigd
dat het lijden van deze tijd omgekeerd evenredig is en eigenlijk in geen verhouding staat
tot de luister en het ware genot waarvan de in de toekomst
de openbaring en ontsluiering
zullen zien.
De
hele schepping
ziet er reikhalzend naar uit
dat openbaar wordt wie g ds kinderen zijn.
Want de schepping in zichzelf is ten prooi geraakt aan zinloosheid,
niet zozeer uit eigen domme kracht en verdwaasde wil,
maar door de vernauwing die haar daaraan onderworpen heeft.
Maar ze heeft weer nieuwe hoop gekregen, omdat de schepping zelf
zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en doelloosheid
en daarom zal delen
in de vrijheid en de luister
die aan al g ds kinderen
geschonken
wordt.
We
weten wel
dat de hele schepping nog altijd als in barensweeen zucht en lijdt.
En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de geest hebben ontvangen,
ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van g d zijn:
de verlossing van ons beperkte sterfelijke bestaan.
In DEZE hoop zijn we
gered.
En als we nu
al alles zouden zien
waarop we hopen, dan zou dat geen hoop meer zijn?
Wie hoopt er nog op wat we al kunnen zien?
Maar als we hopen op wat nog niet zichtbaar is,
dan blijven in afwachting daarvan volharden.
De geest helpt ons in onze zwakheid: we weten immers niet
wat we in ons gebed [deze rivierbedding] tegen g d moeten zeggen,
maar de geest zelf pleit voor ons
met woordloze
zuchten.
Ik had mij
voorgehouden en voorgenomen:
ik moet mij leren beheersen en mijn tong voor dwaasheid behoeden,
mijn mond met een muilkorf bedwingen temidden van mensen zonder g d of gebod ...
En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg en vond geen verlichting,
ik voelde steeds heviger pijn.
Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten
laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken:
geef mij weet van mijn einde dat komende is,
van de maat van mijn levensdagen,
laat mij weten hoe
vergankelijk
ik ben.
JIJ
maakte
mijn dagen
een handbreed lang,
mijn levensduur is niets
in jouw ogen,
niet meer dan lucht
is het bestaan van een mens,
niet meer dan een schaduw ons levenspad,
niet veel meer dan lucht wat wij rusteloos najagen:
ik vergaar en weet niet wie het toevalt.
Wat heb ik dan te verwachten, komende en wordende in ons?
Mijn hoop is alleen nog maar op JOU gevestigd.
Bevrijd mij van mijn verwarring en bespaar mij de hoon van dwazen!
Ik zei niets, opende mijn mond niet, want jij was het die mij dit alles aandeed ...
Houd daarom op mij nog langer te kwellen,
ik bezwijk onder de slagen van jouw hand.
Jij kastijdt mij als mens als straf
voor onze ongehoorzaamheid,
als een mot vreet jij weg wat
wij hartstochtelijk begeren,
niet meer dan lucht
is een mens.
HOOR
mijn smeken,
vader/moeder,
luister naar mijn hulpgeroep,
wees niet langer doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik,
bij jou te gast zoals ook al mijn voorouders waren.
Wend jouw straffende blik van mij af,
dan beleef ik nog vreugde
voordat ik heenga en
niet meer ben.