Alles
bestaat dus
uit verhalen in
{on}gebruikte kannen
& {on}breekbare kruiken!
Petrus
vaart nijver
voort tegenover Johannes:
"Wat of het helrot dus verstoorde?
Het komt met zwaard, en stok, en koorde;
Toen heb ik zeer verbaasd, des Priesters knegt gewond.
Steek 't zwaard, sprak Jezus op, hier geld geen slaan, of dooden,
Ik heb geen hulp van nooden:
Nu werd het heilgeheim vervuld van Gods verbond.
Ik zag hem naar het Raadhuis leiden,
Ik volg, daar alle van hem scheiden:
Wat wierd mijn ziel ontroert van 't geen ik hoord en zag.
Elk deed zijn best om schijn op 't heerlijkst te doen glimpen,
En Jezus te beschimpen.
Dees spot, die spouwt, die hoont zijn aanzicht met een slag.
'K zag, hoe zy valsche reeden zochten,
En hem van d'een na d'ander brochten;
Toen wierd, of zwijg ik best mijn hartelooze daad?
Ik wierd ontdekt, een meid vroeg, of ik hem niet kende?
'T geen ik straks van my wende.
Ik zwoer, ik ken hem niet, en wens my 's heemels haat.
Kon ik de waarheid zoo verdraajen?
Toen hoorde ik den haan straks kraajen:
Ik ging na buiten, en ik weende bitterlijk!"
Johannes:
"Gy waart, o Petrus! veel te trots op uw vermoogen,
Toen vond gy u bedroogen;
Maar het gekrookte riet trapt Jezus noit in 't slijk.
Geen doorne-kroon kon hem vertzaagen,
Noch ook de wreedste geesselslagen.
Hy sleepte 't moordhout naar het bloedig Golgotha.
Wijl 't licchaam krachtloos is door geesselen geschonden.
Al had ik duizend monden,
Ik quam in 't melden noit, myn plicht, naar waarde, na.
Treur Heemel! aarde wilt nu treuren!
Berst rotsen! voorhang wilt nu scheuren!
Zon trek uw straalen in, aanschouw die gruw'len niet!
Nu deeze' onschuldige op 't kruishout werd geheeven,
En daar den geest moet geeven.
Godlooze Moorders kent gy deezen Kooning niet?
Hy roept, hy roept, ontsluit uw ooren;
Verlaat gy my in uwen tooren,
Mijn God! mijn God! dus roept des weerelds Heiland uit?
y riep noch eens met kracht, en heeft den geest gegeven,
Dus stierf de Vorst van 't leeven.
Waar op men 't licchaam in een nieuwe rots besluit.
Maar schoon gy 't licchaam wilt bewaaken,
Hy zal zich zelven leevend maaken.
De banden van den dood die konnen maar een tijd,
Dit licchaam houden, wijl hy heerlijk moet herleeven.
O wachters! wilt nu beeven;
Deeze' leevens Zon herrijst, zijn vyanden ten spijt."
Petrus:
"Wat was de Vrouwe-schaar vol vreezen,
Wanneer de Heiland was herrezen!
Ik liep met drift naar 't graf, maar vond mijn Jezus niet.
Een Heemels Afgezant, die zprak, wien komt gy zoeken?
Ziet windelen, en doeken:
Maar Jezus leeft, en is nu by de dooden niet.
Toen quam hy zelf zich openbaaren,
Als wy op weg naar Emmaus waaren,
En toond' ons uit de Schrift, hoe alles was voorzegt,
By Mozes en Profeet, dat Jezus des moest lijden,
En dan ten heemel rijden,
En heeft ons verder toen de Schriften uitgelegt.
Hy bleef by ons nog veertig daagen,
Tot wy hem voor onz' oogen zaagen Ten Heemel stijgen, door de wolken na zijn troon;
Wanneer twee Engelen ons zijn verhooging leerden,
En zijnen glants vermeerden,
Dus wachten wy hem eens tot ieders straf,
en loon."
Johannes:
"Maar wijl ons Jezus heeft genoomen,
Van 't vis-net, om in 's weerelds stroomen,
Met 't Euangely-net een goeden vangst te doen,
By Jood en Heiden, om hun ziel te moogen vangen;
Zoo is al mijn verlangen, Ons tot volvoering
van dit hemel-werk te spoen.
Vaart wel, dan zee. en net, en visschen.
Ik zal u met veel vreugde misschen,
Als Jezus Kooninkrijk door onzen kinder-mond,
Verbreid werd, schoon wy veel met Jezus moeten lijden:
Het eind zal ons verblijden.
Die op den Heere bouwt, die heeft een vasten grond."
Dus zongen hier by beurt Vorst Jezus Lievelingen.
Wil iemant verder zien 't geen zy hier kortlijk zingen,
Die sla zijn oogen op dit doorgeletterd werk,
Dat ons GARGON weer schenkt, tot opbouw
van Gods kerk.
CONSTANTIA
Wie
'a' zegt, moet ook 'b'
kunnen zeggen:
ONS LEVEN IS NU KOMEN
AF TE HANGEN VAN 'T ALFABET!
VAN VER VOOR DIE GEBOORTE KLONKEN LETTERS,
WOORDEN, ZINNEN, ZANGEN: DE ALFA & DE OMEGA SPRAK OOIT AAN
D' AANVANG VAN DE HEMEL EN DE AARDE MET GEBAREN & KEELKLANKEN: ZIE, HET LICHT NA DUISTERNIS!
NA WOESTE DOODSE LEEGHEID & DE DUISTERNIS OVER DE VLOED, ZWEEFDE GODS GEEST OVER 'T WATER:
zo scheidden wij 't licht van duisternis na 't zien van 't een & 't ander, benoemden alles wat we telkens tegenkwamen: water, hemel, gewelf boven de waat'ren en daaronder het vuur & 't droge land ~~~
Voorts kwamen planten, dieren, mensen, mannen, vrouwen, kind'ren, zaad & bloem & vrucht:
de lichten aan de hemelkoepel, de uitgesponnen wolkgewelven als 't huis van god & goed!
De zon, de maan, de sterren, meteoren en kometen, de regen & de droogte uit zijn hand?
De wemelende wezens, monsters, vogels, vissen, wilde dieren & het vruchtbaar vee ~~~
We maakten mensen naar ons evenbeeld om in gelijkenis de zin te zingen van ons leven:
en met angst en beven, schaterlach en tranen huilen, vallen & opstaan vol met builen ~
uit die verhalen rond het vuur te vertellen over al wat ons alsmaar overkwam ~
de zin en onzin van ons leven, sterven, lijden, ontdekken & vermijden
van goede, slechte, mooie, lelijke & mistig mystiek mysterieus ver-
beiden tussen bomen, struiken, bossen, eiland, weiland en zo
voort om dan uiteindelijk terug te keren tot de hemelpoort
en/of gevreeste helse wonden ~ van daaruit kwam dit
alles voort, viel niet meer te vermijden
vanaf de eerste visioenen om ons
te verblijden die ook bevatten
angst en pijn & uitersten
van voelen, denken,
doen & laten:
gegroet
dream
sweet
slaap
wel
&
tell
us all
about it
if you really
want to do so
...









