Aan
de zeezijde
werden graslanden aangetroffen,
van kunstweiden was geen sprake:
de opbrengst v/d graslanden bestond toenmaals hoofdzakelijk uit hooi, van groot belang als veevoer i/d wintermaanden; de productie verschilde sterk! Zo waren de graslanden binnen de gemeente Ermelo van slechte kwaliteit en werd er hooi uit Holland & Doornspijk, de polder van Oosterwolde, betrokken. Baron Sloet tot Oldhuis schreef hierover in 1853: "BEHALVE IN DEN OMTREK DER KLEINE STEDEN, ALS HARDERWIJK, ELBURG EN VAN SOMMIGE LANDGOEDEREN WORDT TOT VERBETERING DER WEIDELANDEN BIJNA NIETS GEDAAN; TUSSCHEN ELBURG EN HET OLDEBROEK VERKEREN DE WEIDELANDEN IN EENEN ELLENDIGE TOESTAND; 'T ZIJN MEESTAL VEENACHTIGE BROEKLANDEN, DIE AANMERKELIJK ZOUDEN VERBETEREN, WANNEER MEN SLECHTS MET ZAND UIT DE BEEK DIE DAAR LANGSVLOEIT, OF IN DE NABIJHEID TE BEKOMEN IS, WILDE VERMENGEN"! In een brief uit 1819 aan een onbekende geadresseerde, schetste de schout van Doornspijk al een even somber beeld van de landbouw, niet anders dan in 1853. De veeteelt was meestal geen doel op zich, maar stond ten dienste van de akkerbouw en andersom! Behalve als trek- & lastdier was het vee van groot belang voor de mestvoorziening: een uitzondering betrof de kalvermesterijen te Putten, Nunspeet & OLDEBROEK die aan het eind v/d jaren '40 & in begin jaren '50 v/d 19e eeuw een grote vlucht gemaakt hebben? Omstreeks 1820 was er al sprake van kalvermesterijen! In de gemeente OLDEBROEK werden jaarlijks 220 kalveren vetgemest! Niet slechts voor de buitenlandse, vooral Engelse, markt, ook voor het binnenland, de provincies Holland, Utrecht & Overijssel, waren die kalveren bestemd! Het mesten vond plaats in de maanden juni tot augustus: gras, maar vooral melk, was dé basis voor de voeding van de kalveren en in díe maanden volop te verkrijgen; het mesten van kalveren ging ten kòste van de boter-productie, hiervoor bleef er dan immers te weinig Mèlk óver? Diervriendelijk was deze meetmethode niet, de kalveren stonden destijds in veel te kleine hokken èn léden hierdoor aan bloedarmoede: het leverde wèl het voor de hàndel zo belangrijke witte vlees op! Door Engelse sanitaire maatregelen was de export tegen het einde v/d 19e eeuw sterk teruggelopen: deze kalvermesterijen duiden op een toename v/d intensieve landbouw, wat zeker innovatief genoemd mag worden?! Te Oosterwolde vond, met wisselende resultaten, de gehele eeuw 'verweiderij' plaats. Innovatie vond weinig plaats.
Wat
wíj nú
hier geworden zijn
hangt samen met
wat vroeger
gebeurde.