~*~
Sinds de dag, waarop ik mijn onschuld verloor, had ik me, achteraf gezien, in een diepe existentiele pijn gewenteld en kon ik het idee dat er 'n g d bestond niet meer verzoenen met het ogenschijnlijk onnodige
lijden dat ik om me heen zag: "Geef me EEN reden waarom ik deze zinloze wereld niet achter me zou laten?", vroeg ik, aan de keukentafel gezeten, toen ik een jaar of twintig was. Maar een antwoord verwachtte ik niet. "Loop naar de woonkamer, doe je ogen dicht en pak het eerste het beste boek uit de boekenkast!" hoorde ik in gedachten een heldere, vastberaden stem zeggen
en ook al geloofde ik onderhand nergens meer in, dat heb je nogal eens op die leeftijd, dank ik: "Ach, wat heb ik te verliezen?" Met de I Tsjing van When & Kongfoetseh kun je dergelijke dingen ook doen met de meest afwisselende resultaten ... Ik stond op en liep naar de woonkamer, deed m'n ogen dicht, strekte mijn handen uit en liet ze naar de boekenplank gaan. Ik pakte er EEN boek vanaf
en deed mijn ogen open. Het was Ik en gij van Martin Buber. Ik sloeg het boek bij de eerste pagina
op en begon te lezen. Na die allereerste paar alinea's was het me duidelijk dat ik mijn antwoord gekregen
had. Ik raakte in het boek verzonken en hoorde elk woord uitgesproken worden in mijn oren: ik dronk nu
als het ware de waarheid in met een intense dorst waarvan ik nog niet eens wist dat ik die eigenlijk had ...
~@~
Ik had om 'n antwoord gevraagd en het gekregen. Het leven was nu ineens niet slechts alleen maar het vat vol van ellende dat ik zag. Het was veel meer. "Er bestaan twee werelden," zo hield Buber
me voor. "De wereld van Ik~Het en de wereld van Ik~Gij. De wereld van Ik~Het kende ik nu
maar al te goed. Dat was de wereld van uitbuiting, hopeloosheid, teleurstelling, onrechtvaardigheid, strijd, hebzucht, hebzucht, pijn, egoisme, eenzaamheid en de ene laag ellende op de andere. Dat was de wereld
waaraan ik wilde ontsnappen door niet meer te luisteren en te gehoorzamen, braaf de regels te volgen en
mee te gaan met de massa. Maar er was ook een andere wereld, stelde Buber. Het was de wereld van ons
samenzijn, relaties, vertrouwen en genade. Het was de wereld van onvoorwaardelijke acceptatie en liefde!!
Al had ik maar een kleine glimp van die Ik~Gij~wereld opgevangen, ik wist van haar bestaan en ik moest wel toegeven dat de wereld niet louter lijden was. Ze bestond dan misschien wellicht wel voor 99% uit ons lijden, vermijden en strijden en voor maar 1% uit 'genade', 'gnot' & vrede, maar was ik bereid om hier te blijven voor die 1% kans op onvoorwaardelijke liefde? Nog niet helemaal echt en ook van ganser harte ...
~@~
Maar toen sprak de stem van het boek tot mijn zich openende hart en zei: "Het is aan jou om te bepalen welke wereld jij zien wilt!" En met EEN enkele zin was mijn zelfmedelijdende houding van 'wat is de wereld er toch vreselijk treurig aan toe' nu van zijn 'spitsvondigheid' ont-daan: DAAR stond de keizer, zonder kleren! Ellende was GEEN wet van Meden en Perzen, maar een keuze!
Het was aan MIJ om te bepalen welke wereld ik wilde zien? Betekende dat, dat ik nu voortdurend genade & waar genot kon zien? Betekende dat, dat wat ik voelde en ervoer niet afhing van iets BUITEN mij maar van de houding waarmee ik het benaderde? Betekende dat, dat de "IK" in Ik~Gij MIJN verantwoordelijkeid
was en NIET in de eerste plaats die van een anders, 'zelfs' niet van "G D"? Al die woorden deden me weer ineens duizelen terwijl ze als golven in mij bleven weerklinken en op het strand van mij geweten braken in
het schuim van mijn gemoed en verstand. Ik WIST dat ze WAAR waren, maar ze echt helemaal goed ook tot me door laten dringen betekende nu wel dat mijn hele leven zou gaan veranderen? Ik zou nooit meer
de rol van slachtoffer of zomaar willekeurige toeschouwer kunnen spelen als toevallig stukje zinloos leven.
~@~
Als de wereld die ik bewoonde afhing van mijn kijk erop en mijn verhouding daartoe, dan had ik de rest van mijn leven huiswerk. Dan moest ik ophouden met kijken naar wat anderen deden, maar naar binnen gaan kijken, naar de inhoud van mijn iegen bewustzijn. Het was MIJN verantwoording of mijn 'ik' ook wel die 'ik' was in het am elkaar gerelateerde Ik~Gij of in het NIET geralateerde, manipulatieve Ik~Het. "Ik" maakte voortdurend de keuze tussen vreugde en verdriet, tussen liefde en angst. Mijn dialoog met "G d"
hing nu helemaal af van de vraag met WELKE 'ik' Hem/Haar tegemoet trad. Als ik H/H bleef benaderen als Ik~Het dan kon Zij/Hij me niet antwoorden omdat Z/H DAAR niet was. We mogen dan misschien wel allemaal voortkomen in de grond van de zaak uit 'oerknallen' en onpersoonlijk ruimte gevuld met water-stof, tijdloosheid en onbegrensd virtueel cyberspace maar daar ACHTER [voor en na] ligt de Geest in en rondom ons als DE kern op de loer in de goede zin des woords, en een soort van tegengestelde antigeest
als vertegenwoordiger van HET lege, kwade, zinloze, pijnlijke, eenzame, onzijdige en 'begoochelende' ...
~@~
DAT verklaarde dus die ijzige stilte waarop ik gestuit was toen ik als dertienjarige "G d" gesmeekt had om het onmogelijke en mij 'te helpen' en voor mij te doen wat ik zelf moest leren doen? Want destijds was ik nog niet in staat om g d te benaderen zoals een minnaar de beminde nadert, maar alleen nog maar als 't
'slachtoffer' dat de beul benadert om hem wat kruimels af te smeken en om het leven te bidden ondanks
die ontzagwekkende zeis met die doodskoppen, spoken en geesten, duivels en dwangneurosen in angst.
Ik vroeg toen dus eigenlijk nog niet om begrip bij een g d van liefde, een g d die zich om mij en ook om al mijn geliefden bekommerde. Ik richtte me daarentegen tot een g d van onwetendheid en angst, die zo
maar naar willekeur kan geven en nemen en ik richtte me tot de grimmige man met de zeis, koud als ijs,
met een voorstel dat alleen maar bij een dergelijk waanzinnig wezen past: "Neem mij maar, jij bloeddorstige menseneter, en geef die anderen hun leven terug!" Op mijn dertiende was de ik
die zich tot g d wendde die 'ik' in het NIET relationele Ik~Het. Maar zo'n zeven jaar later, na die vreselijke
vervangende krijgsdienst in kampen en gevangenissen was de 'ik' die NU werd aangesproken door die zo krachtige, sonore stem in mijn binnenste, de 'ik' in het relationele Ik~Gij. De beminde riep. Hoe kan dan een Minnaar daar niet op antwoorden?
@