WIJ
antwoordden,
dat wij ons niet om onszelf
konden bekommeren, zolang wij niets van hem afwisten.
Zonder nog langer te talmen, rende hij weg en ontsnapte aan het gevaar.
Kort daarop daalde de wolk op aarde neer en bedekte de zee:
zij had Capri omhuld en aan onze blik onttrokken en bedekte de kaap van Misene.
Toen begon mijn moeder mij te smeken, aan te sporen en te bevelen om zo snel mogelijk te vluchten:
voor mij, die jong was, was dit mogelijk, zij kon dit niet meer wegens haar leeftijd en haar omvang,
maar zou tevreden sterven als zij niet de oorzaak van mijn dood was geweest;
ik daarentegen antwoordde, dat ik slechts met haar wilde vluchten.
Toen nam ik haar bij de hand en dwong haar wat vlugger te lopen.
Met tegenzin gehoorzaamde zij en verweet zichzelf, dat ik om harentwege mijn pas moest inhouden.
Op dat moment viel er as, al was het dan niet
in grote hoeveelheden.
Ik keerde mij om:
een zwarte, dikke nevel kwam op ons af
en volgde ons als een zich over de grond verspreidende stroom.
"Laten wij een omweg nemen," zei ik, "zolang wij nog iets kunnen zien,
opdat we niet op de grond worden geworpen en in de duisternis onder de voet gelopen door de vluchtende mensenmassa!"
Nauwelijks zaten wij of het werd nacht,
niet op de manier van een maanloze nacht bij veel bewolking,
maar zoals wanneer men in een afgesloten ruimte is
met alle lichten
uit.
~@~
Men
hoorde het gekerm
der vrouwen, het geschrei der zuigelingen, het geschreeuw der mannen;
sommigen zochten al roepend hun vader en moeder, anderen hun kinderen, weer anderen hun echtgenoten en trachtten hen aan hun stem te herkennen.
Sommigen bejammerden hun eigen ongeluk, anderen dat van de hunnen;
er waren er, die uit vrees voor de dood, de dood aanriepen, velen hieven de handen op tot de goden,
meer dan EEN verklaarde dat er nergens meer goden waren,
dat deze eeuwigdurende nacht
de laatste zou zijn ...
~@~
Het
ontbrak
niet aan lieden,
die de reele gevaren nog vergrootten door onware geruchten te verspreiden.
Er kwamen mensen, die berichtten, dat een bepaald gebouw te Misene ingestort was, dat een ander gebouw in brand stond; het was niet waar,
maar er waren er, die het
geloofden.
~@~
Er verscheen
een flauw lichtschijnsel,
wij meenden, dat het niet het daglicht, maar het naderend vuur was.
Het vuur kwam in ieder geval niet erg ver; opnieuw duisternis, opnieuw as, ditmaal in grote hoeveelheden.
We stonden af en toe op om deze as af te schudden, anders zouden wij er overdekt mee zijn geworden en verpletterd onder het gewicht. Ik zou er mij op kunnen beroemen niet EEN jammerklacht, niet EEN van weinig moed getuigend woord te midden van ZO grote gevaren te hebben geuit, maar de gedachte, dat ik
met alles, en alles met mij te niet ging,
schonk mij een zekere,
weliswaar bittere
troost
...
~@~
Eindelijk
klaarde de zwarte mist op;
weldra scheen het echte daglicht, de zon, die echter loodkleurig was zoals bij een zonsverduistering,
Alles zag er voor onze nog sidderende blikken geheel nieuw uit, als met sneeuw bedekt onder een dikke aslaag. Na onze terugkeer in Misene trachtten wij zo goed mogelijk weer op krachten te komen en brachten een onrustige nacht door,
slingerend tussen hoop
en vrees.
~@~
De vrees behield de overhand:
inderdaad bleef de aarde beven, en de meesten, wier geest verward was door vreselijke voorspellingen, spotten met hun eigen rampspoeden en die van anderen.
Maar zelfs op dat ogenblik wilden wij niet vertrekken alvorens we nieuws van mijn oom hadden, hoewel wij uit ervaring het gevaar kenden en verwachtten,
dat het terug zou keren ...
~@~
ZO
hebben die
gebeurtenissen zich afgespeeld,
die echter niet van historische betekenis zijn.
Jullie zullen ze lezen, zonder ze in je werken te willen vermelden;
en jullie kunnen het allen maar jezelf, die er mij om gevraagd hebt, verwijten,
als zij zelfs geen brief waardig zijn?
Vaarwel!
~@~