Nog eventjes zo'n 350 jaar terugwippen in de tijd
naar de roemruchte tijd waaraan sommige balkende politici ons blijven herinneren met hun VOC~mentaliteit, legale & illegale
terroristen, moordpartijen
& oorlogen
...
In de tweede helft
van de jaren vijftig van de zeventiende eeuw
vatte onze Cock {Johannes Coccejus} ook 't plan op
om 'n Hebreeuws woordenboek samen te stellen. De aanleiding daartoe is zeker vermeldenswaard.
In 'n brief van 23 oktober 1657 aan Johannes a Dalen maakte hij melding van 't feit
dat hij een schrijven had ontvangen van de reeds eerder en vaker
genoemde gravin Maria Eleonora
uit Kaiserslautern.
Zij had van JaD,
die haar hofprediker was, Hebreeuws geleerd
& wilde volgaarne 'n Hebreeuws-Duits woordenboek bezitten
om zich verder in de Schrift te kunnen verdiepen. Kon de grote geleerde uit Leyden een dergelijk woordenboek niet samenstellen? Cock beantwoordde haar brief enkele maanden later met een toezegging, maar zat toch wel wat met 't verzoek van de gravin in zijn maag. Waar moest hij in 's hemels-naam de tijd vandaan halen? Op 30 mei v/h volgende jaar schreef hij aan JaD::
IK KAN NIET ZEGGEN HOEVEEL BEZWAREN ER ZIJN:
'T AANTAL COLLEGES, 'N ZWARE ACADEMISCHE OPDRACHT, DIE OM VEEL TIJD VRAAGT,
'T SCHRIJVEN VAN DISPUTATIES, 'T SAMENSTELLEN VAN HET BOEK De pricipio fidei (WAARVAN
IK JE EEN EXEMPLAAR ZEND), & DE DICTATEN OVER DE Apocalyps (WAARVAN IK EEN AFSCHRIFT AAN HUNDIUS GEZONDEN HEB) & BIJ DE OVERIGE BOEKEN V/H NOT. OM DEZE KLUS TE KLAREN HEBBEN TWEE STUDENTEN ZICH GEWELDIG INGESPANNEN: DAGELIJKS HIELDEMN ZIJ ZICH TER BESCHIKKING EN DIKWIJLS WERKETEN ZE DRIE UREN AAN EEN STUK DOOR. ZE HEBBEN MIJ DOOR HUN IJVER VEEL GEHOLPEN, ZODAT IK
NU NOG MAAR ELF HOOFDSTUKKEN HOEF TE DOEN. ANDEREN BELEMMERINGEN ZIJN DE COLLEGES, DE VRIEN-DEN, DIE MIJ OPZOEKEN & 'N LICHTE KOORTS ... IK HEB HAAR MAAR GESCHREVEN DAT IK HET WERK ZAL AANVAARDEN & DAT IK OP 'N GOEDE AFLOOP VERTROUW ... OVERIGENS DENK IK NIET DAT ZOIETS BINNEN EEN JAAR ONDER DE DRUKPERS KAN KOMEN!
Deze laatste opmerking van Cock
zou inderdaad be-waarheid worden:
het zou zelfs nog meer dan tien jaar duren voordat de uitgave van het lexicon een feit was.
Met 'n groot aantal onderbrekingen bleef hij eraan werken tot vlak voor zijn dood in 1669. Gedurende al deze jaren bleef Maria Eleonora met hem corresponderen: zij schrven elkaar minstens veertien brieven,
die de gravin steevast ondertekende met de woorden:
'des Ehrwuerdigen Hochgelehrten Wohl affectionierte Freundin'!
Coccejus eindige meestal met de woorden:
'Eurer Durchleucht Unterthaeniger Diener'.
Meerdere malen
verzocht de gravenin
'das Lexicon Hebraicum nicht in Vergessenheit zu ztellen!'
JC voelde zich soms bijzonder schuldig wanneer hij door om-
standigheden niet aan het woordenboek kon werken. Hij schreef dan weer een briefje,
waarin hij zich op allerlei manieren verontschuldigde voor de opgelopen vertraging.
'Ob wohl je ein Gelehrter so durch eine Frau zu Wissenschaftlicher Arbeit gedraengt wurde?' Tenslotte verscheen 't woordenboek in 1669 @ A'dam, voorzien vanb 'n opdracht aan de gravin,
waarin hij de bedoeling van zijn werk toe-lichtte. Uit 'n brief van 10 augustus 1656 kunnen we
ook opmaken dat Coccejus van de uitgever Elsevier 't verzoek gekregen had
om 'n uitgave van de werken
van Josephus
te verzorgen.
Schattig toch
in die tijd en onder
die omstandigheden dat
mensen zich vooral bekommerden
om hemelse gewesten
in 't aards
gedoe
...
