Even
iets anders:
terug naar bijna
3000 jaar
geleden?
Elya
was in
die dagen 'n
"ware profeet van G d"!
Nog nooit was 'het volk van G d'
ZO
diep gezonken.
Pas
58 jaren
waren voorbij gegaan,
sinds het koninkrijk in tweeen was gescheurd
na de dood van koning Sjlomo.
In
die periode
hadden er al zeven koningen geregeerd,
allen, zonder uitzondering, slechte mensen.
Yerovyam deed Yisraeel zondigen met de gouden kalveren.
Nadav, zijn zoon 'deed wat kwaad was in de ogen v/d Here & wandelde i/d weg van zijn vader'.
Baesa was 'n moordenaar; Elah, zijn zoon, was 'n dronkaard; Zimri 'n verrader & moordenaar.
Omri was 'n militair avonturier, die zich meester maakte van de troon, & nog erger dan allen
die voor hen geweest waren.
Zijn zoon Achav misdroeg zich nog erger dan zijn vader;
hij huwde de goddeloze Yzevel die Yahweh & zijn dienstknechten haatte,
& werd de leider in al die afvalligheid.
In zijn dagen werd elk spoor v/d openbare eredienst van Yahweh uit 't land weggevaagd.
De gouden kalveren werden gediend & aanbeden te BethEl & Dan;
't huis van Ba'al was in Sjomron; bossen van Ba'al waren in iedere landstreek,
& profeten van Ba'al hadden de leiding bij hun afgodische plechtigheden.
Ogenschijnlijk leefde Ba'al, & had Yahweh {"G d de Heer"} 'opgehouden te bestaan'.
Temidden van dit tafereel van duisternis & zedelijke ontaarding verscheen, geheel plotseling,
'n eenzame maar markante getuige v/d "Levende G d"
op 't toneel!
Elya de Tisviet
stond openlijk tegenover de koning met 'n boodschap v/h komend oordeel:
"Zowaar de Here, de G d van Yisraeel, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw
of regen zijn, tenzij dan op mijn woord!"
{1 Koningen 17:1}
Die eerste woorden v/d profeet
attendeerden de koning erop dat hij te doen had met de levende G d.
Bovendien herinnerden zij hem eraan dat 'n man hem tegemoet trad,
die niet bang was voor hem,
ook al was hij koning.
Elya was geroepen
om de machtigste man in 't land
'n hoogst onaangename boodschap over te brengen.
Maar omdat hij zich ervan bewust was voor de levende G d te staan,
was hij vrij van elke vrees voor die afvallige koning.
Vele jaren vantevoren
had de Heer G d door Mosjeh
tot Yisraeel gezegd:
"Neem je ervoor in acht
dat jouw hart zich niet laat verlokken,
zodat gij afwijkt, andere goden dient & je voor hen neerbuigt.
Want dan zou de toorn van G d de Heer tegen jou ontbranden
en hij zou de hemel toesluiten,
zodat er geen regen
meer komt!"
{Deuteronomium 11:16 & 17}
Op deze ernstige waarschuwing was geen acht geslagen.
Afgoderij,
die er bijna voortdurend geweest was vanaf de tijd van Mosjeh,
was nu tenslotte algemeen geworden & G d had 't lang verdragen,
maar ten langen leste verwekte die afgoderij van 't land "de Here,
de G d van Yisraeel, tot toorn"
{1 Koningen 16:33}.
't Lang tevoren
aangekondigde oordeel
stond nu op 't punt om uitgevoerd te worden.
Er zou geen 'dauw of regen' zijn,
tenzij naar 't woord
van de profeet.
Op
deze wijze
zou G d zijn
woord & zijn eer
handhaven, de afgoderij
verachtelijk maken, & de
man eren die
van hem
getuigde
...