naar bed naar bed zei duimelot: eerst nog wat eten


~*~

Nog
wat gepruttel
uit d'oude doos
voor de broodnodige
afwisseling?

Zomer
in 't Hart
voor Nufneusjen
& Dorothea!

Schoon
winter op de ruiten
zijn bloemen ook penseel',
Schoon 't koud en guur zij buiten, toch juich ik in mijn deel;
Toch, aan uw zij gezeten, is 't dat ik 't noodweer tart,
't moog buiten winter heten:
't is zomer in
mijn hart!

De zoete
vogels vloden
het lang ontbladerd woud, tot dat als lenteboden, men hen opnieuw aanschouwt;
wat raakt mij 't of zij gingen, hoe lang hun komst nog mart,
als 'k u maar weer hoor zingen,
is 't zomer in
mijn hart! ~

Kort
zijn de winterdagen,
vroeg gaat natuur ter rust,
door barre noordervlagen in sluimering gesust;
schaars mag het zonlicht dalen door 't luchtruim, treurig zwart,
als 'k maar uw oog zie stralen
is 't zomer in
mijn hart!

@

Zo
'k niet en wist,
datze u Nufneusjen hieten,
Engeltjen zou ik u noemen, want bij uw oogjens
de starren verschieten en bij uw kaakjens de bloemen.
Zo 'k niet en wist, datge u spijtig zoudt tonen, 'k zou u een kusjen ontstelen,
want op uw lipjens daar staan zij en tronen;
Pluk {we zijn rijp} eerwe
queelen!

Zo 'k niet
en wist, dat op zeventien jaren
't maagdeken ja meent en neen zeit,
pure bezorgdheid verbleekte mijn hairen waar nu een bloemkrans om heen leit!
Zou 'k niet en wist, dat de Min heeft gezworen: "'t Avondtjen endt zijn verdrietjen!"
'k Hingme aan dit lint, dat uw tressen verloren ...
Nu ~ zij 't een strik
voor dit liedtjen!

@

Het vinnig
stralen van de zon ontschuil ik in 't boschaadje;
indien dit boschjen klappen kon, wat meldde ;t al vrijaadje?
Vrijaadje? nee; vrijaadje? ja; vrijaadje zonder mensen, van honderd herder ~ is 't niet schae?
Vindt me'er getrouw niet EENEN.
Een wullepsch knaapjen altijd stuurt naar nieuwen lust zijn zinnen.
Niet langer dan het weigren duurt, niet langer duurt het minnen.
Mijn hartjen trekt mij wel zo zeer Zo zeer,
durfde ik het wagen!
Maar nee, ik waag het
nimmermeer;
hun minnen zijn maar
vlagen.

Maar vlagen,
die thans overgaan,
en op op een ander vallen;
nochthans zie ik mijn vrijer aan,
voor trouwsten van
hun allen.

Maar of
't u miste, domme maagd!
Gij ziet hem niet van binnen;
dan 't schijnt wel, die geen ruste waagt,
kan kwalijk lust
gewinnen.

Of ik hem
ook ligtvaardig von',
en 't bleef in dit bosschaadje?
Indien dit boschjen klappen kon,
wat meldde 't al
boelaadje!

En
ZOO zie
je maar weer
eens dat liefde, lusten en lijden
van alle plaatsen en tijden zijn waar mensen zich 'verpoozen' tussen doornen en rozen?
ZOO neigt ook dit mijn arme hart ter kimme en zijgt in ' t doodenrijk terne'er!
Je zou bij nader inzien stromen tranen met tuiten doen nederdalen
op d'aard' die zouden aanzwellen tot zondvloedige
bedekking van alles wat ooit
was en overvloedig
bloeide
...

Gelukkig
dan toch maar
dat nooit de liefd'
een einde neemt en
onder al het kleutervolk van
alle tijden en plaatsen steeds opnieuw
het warme herte klopt voor d'een of voor den ander:
ik doe er nu het zwijgen toe,
't is etenstijd zegt mijn
geliefde van ZOO
vele jaren
her
~~~
Ein
Geddi
stromend water
uit de Rotssteen en
de Dadelpalmen van weleer
met Wierook Mirr' en Goud tussen de stenen
en de gemzenbokken die er lustig springen heen en weer
als was er helemaal geen tijd op deze plaats
geen hartezeer, oorlog of leed;
maar slechts het eeuwig
leven van herinnering
dat geeft en wat
met woorden
speelt
...

~@~
engel
blozen
cool!
16 feb 2007 - bewerkt op 03 jul 2008 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 81 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende