'n mydikabel [klimmen & afdalen MOET]
~*~
GEN
is een
mydiverhaal
over de oorsprong ...
We zien dat bij Adam en Ewa de mensheid begint met opgroeien.
Mensen kunnen nu eenmaal
niet voor eeuwig en altijd in de moederschoot leven;
we moeten uit Eden worden verdreven en afzonderlijke individuen worden,
gedwongen worden om onze weg te vinden
in een vijandige wereld!
Na de zogenaamde zondeval
zien we dat Adam en Eva zich vooral als kinderen en later pubers gaan gedragen, nog niet in staat om met hun nieuw verworven krachten en verantwoordelijkheden
om te gaan?
Van helemaal naakt
en volkomen onschuldig te zijn als pasgeboren kinderen, moeten mannen en vrouwen om te kunnen overleven in zo'n wereld zo sluw als de slang worden
en zo ijverig als een duif!
Er kan geen sprake zijn
van een terugkeer
naar "Eden" ...
"G D" '... verjoeg dus de mens uit zijn tuin,
plaatste ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard:
zij moesten de weg naar de levensboom bewaken!' aldus GEN 3:24.
Er is geen hoop op onsterflijkheid hetzij dan door een gezegend nageslacht?
En de bijbel ziet dit niet
als een onoverkomelijk drama: het mydiverhaal van Adam en Ewa is slechts een begin dat de rest van Het Verhaal niet overschaduwt zoals dat in de christelijke verbeelding gedurende bijna tweeduizend jaar nogal eens gebeurde ...
Het gouden tijdperk van Eden
werd gezien als een levensfase die de mensen allang achter zich hebben gelaten zowel in gunstige als ongunstige betekenis. Overal in GEN hebben de anonieme samenstellers uitgebreide genealogieen van Adams nakomelingen opgenomen?
Ze hebben de opkomst
en ondergang laten zien van de ene na de andere generatie en tevens het verloop van de eeuwen waarin het menselijk bestaan zich afspeelt en onherroepelijk van het paradijs
werd gescheiden!
Het zal voor mannen en vrouwen niet langer meer zo kinderlijk eenvoudig zijn om met g d om te gaan ...
We zullen daarentegen moeten vechten
om voor onszelf nog iets van g ds wereld te begrijpen en af en toe een blik te mogen werpen op een zich verwijderende en raadselachtige 'godheid' als Onbekende Bondgenoot die {YHWH} was en ongezien en vaak onopgemerkt aanwezig [ge]worden is
in ons zijn.
GEN illustreert
dat die kloof tussen het goddelijke en het wereldse alsmaar alweer en telkens opnieuw breder blijft worden [en inniger?] en dat 'g d' zich meer dan ooit van het menselijk bestaat terugtrekt ook
al is alles nog niet helemaal en totaal 'verloren',
[radeloos/reddeloos/redeloos]
hopeloos en uitzichtloos?
Voordat Adam en Ewa de tuin verlieten,
maakte G d voor hen kleding van dierenhuiden tegen de ijskou:
ze hadden zich 'de vorige avond nog' verstopt toen de koele avondwind hen vrees aanjoeg voor g ds aanwezigheid, zijn 'alziend oog & alhorend oor', zijn 'wonderbaarlijke
innerlijke gewetenstem' ...
We beginnen onze myditocht door de wereld
niet helemaal zonder het genot van enige
goddelijke bescherming
~@~
Asih, man, 81 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende