~{@}~
OOK
bij niet-gelovigen
hangt om de bijbel
nog steeds dat aura
van autoriteit in religieuze
aangelegenheden?
Er moet
'iets' wezen,
de idee dat er niets is,
nietsisme, brengt onrust,
en daarom ruilen mensen dat weer graag in
voor
ietsisme!
WAAR
halen ze dat vandaan?
Uit de christelijke leer, de geloofstraditie,
die zegt dat er een onzegbaar "IETS" is,
hetwelk wij over het algemeen 'g d' noemden.
Een omvorming [we hebben dat elders al een duidelijk gemaakt]
van de religieus mythische taal over "G D" zoals je die in de bijbel kunt vinden,
want die heeft helemaal GEEN 'ietsistische' praat over G D nodig om "Zijn doopceel" te lichten?
Kom DAAR nu maar eens om bij 'de modernen van vandaag',
hele en halve christenen
beide!
WAAROM
vinden we die ongewassen bijbeltaal
niet terug in de christenheid?
Omdat men zich ervoor geneert, net als de kerkvaders van de Oude Kerk.
En WAAROM geneerden die zich?
Omdat ze hun EIGEN IDEE hadden over wat een 'g d' tot "G D" maakt,
en DAAR voldeed de bijbel
niet aan ...
DUS
kon de bijbeltaal geen waarheid over God zijn,
en dus moest de mythische taal worden VERBETERD!
Desnoods beeldspraak, plaatjes, goed, maar dan plaatjes die naar een
onzegbaar Wezen verwezen.
We komen er vast nog
wel op terug.
De
'{s}prekende' "G D":
kan g d spreken, en zo ja, HOE dan wel?
Nog een derde aantekening terwijl de lucht bewolkt is en regen op komst ...
De preoccupatie met de bijbel is typerend geweest [en is dat soms nog wel] voor de kerken van de
Reformatie in hun controverse met Rome. In zijn overdreven vorm kennen we haar nog het beste,
denk maar even terug aan 'zij hebben de paus, wij de bijbel'!
Maar met die bijna karikaturale tegenstelling
is de typisch protestantse aandacht voor de bijbel niet van start gegaan.
Er zat [en zit] ook iets van een nieuw begin in tegenover
de vastgevroren rooms-katholieke leer
van toen en
nu.
DIE
nieuwe inzet
vind je vooral bij Martin Luther,
ze betreft niet alleen maar een andre leerinhoud
[Luthers vondst van de rechtvaardiging door het geloof
tegenover wat hij dan als roomse ketterij beschouwde: rechtvaardiging door werken],
maar vooral - zeker bij de jonge Martin - een Ander Idee over het Woord Gods.
STERKER dan de andere reformatoren verstond L. er de sprekende God ZELF onder,
dei loquentis persona. Gods Woord is "G D" die spreekt, waarbij L. dan vooral dacht
- als kind van zijn tijd geplaagd door het laat-middeleeuwse schuldbesef -
aan God die de zondaar
VRIJSPREEKT.
Maar wil je
God die spreekt bij je houden,
en niet op zo'n griezelig vrije manier het Woord zelf het woord laten nemen,
dan moet Woord Gods natuurlijk meer en meer identiek zijn aan de bijbel, om niet te zeggen:
worden opgesloten
in de bijbel!
ZO
loopt het zo mooi begonnen
'mydiverhaal van de sprekende God' dan ook uit
op de reformatorische leer van de bijbel als Gods geinspireerde Woord,
en is er al gauw van de sprekende God weinig
of niets meer
over.
Een reus
van een theoloog,
Karl Barth [niet Karl Marx of Karl May], uit de vorige eeuw,
zag die bijbelopvatting [de bijbel van kaft tot kaft "Gods Woord"] als een vorm van heidendom
en heeft het tij nog
willen keren?
SAMEN met
een aantal bondgenoten
[onder anderen Rudolf Bultmann] ontwierp hij een eigen, nieuwe theologie van het Woord
[en zo werd het ook genoemd in die tijd], met als oogmerk om van de bijbel als "Gods Woord"
weer terug te keren tot 'de sprekende
G d' ZELF!
Het project is niet geslaagd,
want ja, wat ZEGT de 'sprekende' G D dan?
Om DAT niet te laten ontsporen moest Barth wel weer terugsturen naar de bijbel,
waarin je wat G d zegt toch in essentie
'terug kon vinden' ...
HIJ kwam eruit
door te onderscheiden
tussen verschillende gestalten van EEN en Hetzelfde Woord:
de sprekende G d zelf,
de bijbel EN
de verkondiging
[alle barthianen uit die vorige eeuw herken je aan hun voorkeur
voor de term
verkondiging].
In feite
kwam het erop neer
dat de sprekende G d
ALLEEN kon zeggen wat de bijbel zei [volgens Barth dan];
het heeft een even prachtige als onhanteerbare
Kirchliche Dogmatik opgeleverd [Barts meesterwerk], maar van de sprekende G d bleef alleen nog bij zijn kompaan Bultmann iets over.
Maar Bultmann wist weer niet een goed antwoord op de vraag: wat ZEGT "G D" dan?
ZO strandde alsnog de poging om de bijbel van de oude pijnbank af te halen
waar de protestantse traditie "HEM"
op had gelegd!
"En ik droomde
dat God tot me sprak ...
Dit verklaar ik in alle nederigheid,
want mij scheen het toe dat God me deelgenoot liet zijn van een heel klein stukje van zijn alwetendheid
en het was waarachtig wonderbaarlijk
om dit mee te maken ...
Ik zag mezelf op het bed liggen,
in de kamer van het diensthuis waar ik met mijn moeder woonde ...
En hoewel dit mijn droom was, was elk detail precies zoals het in de werkelijkheid was
en toch wist ik dat ik droomde ...
Mijn blik ging naar boven
en verbreedde zich en ik zag het land en de provincies.
Ik zag niet slechts de afstanden die normaalgesproken voor het menselijk oog verborgen zijn,
maar overzag het verleden even goed als de toekomst.
Ik zag de heerschappij van God eindigen.
en zag dat vele ketters nog voor het gemeentehuis zouden branden en schrok zeer,
want ik was nog maar een jonge knaap die zijn best deed
om een vroom godsvruchtig
leven te leiden.
Maar
in mijn droom bleef ik rustig,
als het ware door verkregen kalmte en onberoerd door de belangen van de wereld ...
Daardoor was ik in staat om helder te zien wat ik zag,
want mijn blik ging steeds maar verder,
de toekomst in ...
Ik zag
veldslagen en oorlogen,
hongersnoden en epidemieen, grootse mannen en vrouwen en lafhartig gekonkel en verraad,
en zo ontzettend veel visioenen dat ik ze ergens anders heb opgeschreven,
opdat ze voor andere mensen als leidraad
kunnen dienen ...
Toen ik
tenslotte een tijd kon zien
waarvan ik wist dat die honderden jaren in de toekomst lag en op de drempel van de volgende eeuw,
zag ik een wereld die onvoorstelbaar mooi was en tegelijkertijd
angstaanjagend ...
Ik zag miljoenen mensen
die luisterrijk leefden en met apparaten allemaal dingen doen die ik in mijn droom wel begreep,
maar die ik nu niet meer kan beschrijven ...
Ik weet alleen dat die apparaten ons nu als toverij zouden voorkomen,
maar dat was niet zo;
de mensen leerden als kind al hoe ze ermee om moesten gaan ...
Maar het was niet het paradijs dat ik zag,
want ik zag tegelijkertijd oorlogen waarin de mensen als mieren over de aarde marcheerden
en alles vernietigden ...
Zelfs de zon werd naar de vijand gegooid en alles verstarde voor deze macht als van plotsklaps uitbarstende vulkanen, aardbevingen en vloedgolven,
en men was bang dat er een oorlog zou kunnen uitbreken die de aarde zou verwoesten,
zo machtig waren de mensen inmiddels
geworden ...
Ze hadden zich
van God afgekeerd en vereerden in zijn plaats geld,
maar daardoor leefden ze in vreselijke ellende en arbarmelijke angsten,
en er was geen enkel mens meer
die een toekomst zag ...
Velen geloofden
in een tweede Zondvloed en talrijke Plagen
en dat de mensheid DEZE keer definitief
zou vergaan ...
En Velen
gingen gebukt onder de last
van deze verwachting ...
Ik zag echter wel
dat G d de mensen oneindig liefheeft,
ongeacht hun daden of hun geloof, of ze zich van hem afkeren of niet,
en dat het niet g d is die
de mensen straft.
Ze bestraffen zichzelf
al erg genoeg in het groot en in het kleine
als ze zich afkeren van de liefde en hun heil in slechts wereldse zaken zoeken ...
ZO helder en indrukwekkend herkende ik dit dat ik zou wensen
dat ik me beter in woorden kon uitdrukken dan ik kan
en jullie door mijn beschrijving deelgenoot zou kunnen maken
van deze heerlijke zekerheid, maar helaas,
dat vermag ik [nog]
niet."
~{@}~
~{@}~