~*~
ALLE
oerverhalen gaan
over onze roeping:
de voorbeelden daarvan zijn legio
en vertonen talloze variaties.
Mensen worden blijkbaar zo door het onbekende aangetrokken
dat wij ons geroepen voelen:
aangetrokken door het onbekende.
Zo kwam ook de roep van de onbekende tot Avraham/Abraham/Ibrahim
in GEN 12:
wayomer yhwh el-avram:
lech-lecha meartsecha oemimolartecha oemibeit avicha el-haarets asjer arecha
Trek weg uit jouw land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten,
en ga naar het land dat IK jou zal wijzen.
En zonder enig verzet tegen dit onbekende, dat hem riep,
gaat Avram, niet wetende waar hij komen zou.
En lang daarna, zo gaat dit mydiverhaal roept de grote onbekende hem tot iets,
dat nog veel vreemder was:
wayehi achar harvarim haeleh wehaelohim nisah et-avraham wayomer elaw: avraham wayomer hineni wayomer: kach-na et-bincha et-yechidecha asjer-ahavta et-yitschak welech-lecha el-arets hamoryah weha'alehoe sjam leolah al achad haharim asjer omar eleicha.
Enige tijd later stelde "G D" Avraham op de proef.
"Avraham!" zei hij.
"Ik luister," antwoordde Avraham.
"Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Yitschak, en ga met hem naar het gebied
waarin de Morya ligt. Daar moet jij hem offeren op een berg
die ik jou wijzen zal!"
En weer gaat Avraham
zonder verzet, maar met brekend hart
...
en toch vol vertrouwen op de onbekende,
die hem riep.
Ik denk ook aan het mydiverhaal van de roeping van Mosjeh in EX 3.
Mosjeh als schaapherder in dienst van Yithro,
komt met zijn kudden in de buurt van de berg Choreva.
Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland,
en zo kwam hij bij de berg Choreva,
de berg van
g d.
Daar
verscheen
de engel van de HEER aan hem
in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde.
Mosjeh zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.
Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens
van dichtbij bekijken.
En daar, uit die wonderlijke braamstruik [haSneh], die brandde,
maar niet werd verteerd,
klinkt opeens de 'stem g ds':
"Mosjeh, Mosjeh!"
"Ik luister," antwoordde Mosjeh.
"Kom niet dichterbij,"
waarschuwde Yahweh [want 'hij was het'], 'en trek je sandalen uit, want de grond waarop jij staat is heilig.
IK BEN de g d van jouw vader, de g d van Avraham, de g d van Yitschak en de g d van Ya'akov.'
Mosjeh bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar "G D" te kijken. ~
En dan roept g d hem tot een zeer moeilijk werk,
namelijk tot het uitleiden van de Isarelieten uit Egypte,
een werk waar Mosjeh zichzelf allerminst geschikt voor acht,
en waar hem alle lust en moed toe ontbreekt.
Maar al zijn protesten mogen niet baten, want wanneer "G D" iemand roept,
dan roep "HIJ/ZIJ" hem/haar
met kracht en aandrang.
Herinner je je nog het 'allereerste begin'?
In het begin riep G D de hemel en de aarde vanuit woeste doodsheid
en duisternis die lag over de oervloed in wording door Geest die zweefde over het water!
G d riep "Er moet licht komen," en er was licht, hij zag dat het goed was en hij scheidde het licht van de duisternis en het licht noemde hij dag en de duisternis noemde hij nacht;
het werd avond en het werd de morgen van de eerste dag.
G d roept dan [nadat hij/zij de rest van de natuur in bestaan heeft 'geroepen']:
"Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken,
want zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel,
over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt."
G d schept de mens als zijn/haar evenbeeld, als evenbeeld van g d schiep hij hen,
mannelijk en vrouwelijk schiep hij/zij de mensen en hij/zij zegende hen
en zei tegen hen:
"Wees vruchtbaar en word talrijk,
bevolk de hele aarde en brang haar onder jouw gezag:
heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel
en over alle dieren die op de aarde
rondkruipen
...
Ook zei g d:
hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde:
dat zal jullie tot voedsel zijn [zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid].
Een variatie op ditzelfde thema staat in GEN 2 waar het als volgt klinkt:
TOEN maakte g d {YHWH: die was & wordende is} de mens.
HIJ/ZIJ vormde hen uit stof, uit aarde, en blies hen levensadem in de neus:
ZO werd de mens een levend wezen
...
G d [yhwh de nooit klaarkomende wordende] bracht de mens dus in de tuin van Eden
om die te bewerken en erover te waken, hij/zij hield hen het volgende voor:
van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad,
want wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven!
G d [yhwh: je weet wel!] dacht, het is niet goed dat de mens alleen is,
ik zal een helper voor hen maken
die bij hen past.
Toen vormde [de zoveelste variatie op hetzelfde thema] hij uit aarde
alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die naar de mens
om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals zij elk levend wezen zouden noemen,
zo zou het heten!
De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren,
maar hij vond onder hen geen helper die bij hem paste.
Toen nam G d een van de ribben van de mens weg en vulde die plaats weer met vlees:
uit de rib [een figuurlijke {en letterlijke?} rib uit zijn lijf!] die hij bij de mens had weggenomen, bouwde g d [yhwh ~ alsvanouds wordende en nooit helemaal klaarkomende] een vrouw [isjah]
en hij bracht haar [isjah]
bij de mens [isj]
...
TOEN RIEP DE MENS [isj/haAdam],
UIT:
Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw [isjah], een uit een man gebouwd ~
g d uitte zich aldus in de natuur en in de mens uit g d en zo voortgaande
[wordende/komende] eindelijk
zo nu
en dan
klaarkomende
een mens uit een mens uit een mens
enzovoorts
...
GEN II
besluit dan voorlopig met:
ZO komt het dat een mens zich losmaakt van zijn vader en zijn moeder en zich hecht aan zijn vrouw,
met wie hij EEN LICHAAM wordt.
Beiden waren spiernaakt, de mens en zijn vrouw [ish & isjah ~ haAdam & Chewa:
de mens noemde zijn vrouw zo want zij is de moeder van alle levenden
geworden]
...
g d [yhwh] maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen
en trok hun die aan
...
en zo
kan ik nog urenlang doorgaan
maar dat doe ik nu niet want ik moet
mijn tandjes nog poetsen en nog even gaan slapen
om er nog eens heerlijk
over te dromen
dus tot zo
macho/bonobo
slaap maar lekker
en droom er maar van
asjekan