Ja,
het is
natuurlijk vreselijk moeilijk
om een puberende tiener te zijn
[en al 'hemelenhellemaal'
met al die vrouwelijke en mannelijke hormonen,
klieren, eierstokken, balzakken, vaginale afscheidingen,
natte dromen & ongesteldheden,
pukkeltjes, vetkwabben of alle aanvallen van vasten,
vreten, schelden, spugen, slaan en schoppen,
gezeik & gezeur, taalaanranding & totale niksigheid,
kriebelende kittelaars & eindeloze reeksen eikels,
voederbieten, kookaardappels en kastanjes,
woordverkrachtingen & ~blindheden,
banale boerenpummels & stadsbewonenden, schetenlaters,
populariteit & zweten, schamel schaamhaar & al die
talloze pruiken?] .......
Het
doet me
denken aan vroeger,
toen er nog bakkers- & slagersknechten rondreden
om brood en vlees te bezorgen.
De kar met paard van de groenten- & fruitboer,
de melkman en de voddenman,
lood om oud ijzer en knollen voor citroenen en alles veel groener,
rijper, wijzer en onaangetast door plastic make-upsters,
keiharde knullen en onverschillige
of superfanatieke knapen,
kippige & hanige puberale strebers
& de modetrendgevoelige
allesopennavolgende massale
ueberklebers.
Een
klein parmantig
appelaartje wou, toen alles bloesemde
op 't grote feest niet onversierd en schamel zijn.
Het stond en rekte resoluut het zwarte lijfje naar de zon
en greep met grage wortels in de
donkre grond.
Het stiet
in tomeloze bloeiensdrang
de groene knoppen uit.
En loot bij loot haar driftig kloppend
verried.
Een dag
van blonde zon
en weligheid en 't appelaartje sprong
in duizend bloesems los, een lied,
een lach.
Het zaad der smart
droeg honderdvoudig vrucht.
De velden, geel van weelderige wasdom golfden naar de kimmen,
waar eens de zaaier trad langs
zwarte vore.
ZO
aan mijn hart
geschiedde 't wonder.
Oogst van lijden was een wijde tederheid,
een zacht genegen zijn naar 't wenen
van de ma{k}ker ...
Het stadje
was toen nog een instrument,
waaruit de regen fijntjes de geluiden riep,
geen enkle pijp, geen enkel gootje
sliep.
Het
neuriede al
met 't eigenste geluid.
De huisjes hingen langs de grijze gracht te luistren.
Een vensterje glom geel van lamplicht dat heel stil keek en vertrouwelijk
en goedig in
de nacht.
Het stadje was een instrument,
waaruit de regen fijntjes de geluiden riep.
En ieder ding werd puur muziek en schiep een eigen liedje
en een nieuw geluid!
De knoppen
van mijn hart openden zich
barstensvol klaar voor de nieuwe dag
en de gezwollen stromen ontstegen aan het stugge hout
van al die planten, bomen
want wind en zon met zachte dwang
van teder fluistren en gebaren kloppen in zoet verbond
met de gezegend zwoele regen
het welig leven los,
verborgen allerwegen,
zodat vanbinnenuit mijn hart en ziel al
die registers, knoppen en pedalen verder opende
zodat de bloesems
als een vloed de hele aarde overschuimen
zo kan dus ook mijn hart en ziel en mond door oog
en oor het verderbloeien
niet verzuimen ...
Maar ja,
twee wereldoorlogen
die nooit ophielden met doorwoekeren
waar ook ter wereld en her en der herhaaldelijk blijven opwakkeren
aangestoken en opgeblazen door woekerbelangen, willige wijven en hijgende hetero- & homoseksuelen,
hele nieuwe ladingen kanonnenvoer, kleverige klootzakken, gillende keukenmeiden, opgetutte dames en hebberige heren, aandeelhouders, obligatiebezitters, rondborstige bouwvakkers,
streberige stratenmakers, asgrauwe asfalteerders, akelige automobilisten en
hele horden supermarktverslaafden en mallotige multifunctionele kommersjele massamedia
doen je wel even anders
piepen ...
Anyway:
de zon schijnt in een blauwe lucht met witte wolken waterdamp
zoals voor miljarden jaren en miljoenen zich ontwikkelende
levensvormen van planten, dieren en [zelfs]
mydimensen






