Die hersenen stelden Herman van Praag in staat om
HET NAZIKAMP TE OVERLEVEN, ÈN DÁÁRNÁ WAT VAN ZIJN LEVEN TE BLIJVEN MÁKEN?! MAAR, ZÓ VERZÉKERDE HIJ IN TROUW, DÉ BOUWHEER VAN DAT 'GROTE PLAN' WAREN ZE NÍET! DÀT WÀS ZÍJN ZÈLF DÀT, ÀCHTER DE OMHÉINING VAN HET KÀMP, TÒCH NÒG ÌN VRÍJHEID DÀT VÓÓRNEMEN KÒN MÁKEN!
Maar zó'n VRÍJE bóuwheer bóven ìn hèt brein bestáát níet: er ìs géén Ìk mèt zó'n VRÍJHEID van DÈNKEN dat HÍJZÈLF beslìst òf híj, bij het zien van zijn vader en moeder die hem na anderhalf uur met de neus tegen het raam nog hópen ÚIT te zwaaien, zijn zàkdoek Zàl Pàkken òf níet!?
HET ZIJN TOCH STEEDS MÍJN GEDACHTEN: kùnnen we eigenlijk wel (of níet) zònder 'n 'ik'? Die bewùste gedàchten èn gevóelens zìjn al met al toch [ècht?] van míj? Níet pèr sé, betoogt de filosoof Thomas Metzinger in 'The Ego Tunnel'! Patiënten met het syndroom van Cotard líjken 'zèlflóze' bewùste ervaringente hebben. Sòmmigen zèggen níet te bestaan, reden wááròm 'n patiënte zich ooit als Madam Zero beschreef. En mystici uit zeer variërende culturen dalen zelfloos af i/d 'spirituele diepten'!? Maar bovengronds weet neuroloog Paul Broks, schrijver van 'Into the Silent Land', dat we die elementaire beleving van door de tijd heen 'dezèlfde jongen te blíjven', nìmmer ZÙLLEN kùnnen àfwerpen! Díe gedàchten èn emoties doen zich altijd maar [wéér] vóór in zijn tijd & zijn buurt, dus als theoreticus lééft hij weliswaar 'zònder zíel of ego', maar als Paul Broks van alledàg mèt!! Dàn kenmerken zijn geesteszaken zich door de ervaring van z'n
'míjnheid', 'het zijn tòch STÉÉDS MÍJN gedàchten'! Maar zittende werkelijk voortdurend een zèlf of 'eigenaarschap' te ervaren bij àl wat we denken en voelen? Hoogleraar cognitiefilosofie Marc Slors betwijfelt het, en wees onlangs in een essay ter illustratie op de glimlach op het gezicht van de Mona Lisa. Je ziet hem, tòt je er góed naar gaat kijken: dàn verdwijnt-ie! Misschien geldt hetzelfde voor dat slui-merend zelfgevoel dat bij àl wat we dóen èn láten door de dag heen met ons mee zou reizen. En dat àl ons wèl èn wéé 'van boven' het stempel "VAN MÍJ" meegeeft. Slors vermoedt juist dat díe 'mijnheid' tamelijk geruisloos aan ons voorbijgaat tòtdàt we "Hé, wàt nou" roepen: op het moment dat we iets denken of doen wat wennetje wringt, omdat 't níet naadloos in òns repertoire pàst!
Kortom, er ìs nu eenmaal géén permanènt 'zèlf', maar eerder een incidenteel 'níet-zelf': nl.
als je jezelf betrapt op 'n dissonante gedraging
waarvan je denkt,
"Gòh, dat past helemaal níet
bij MÍJN 'manier van dóen'"!
ALLÉÉN OP ZULKE MOMENTEN
'bèn je er ècht éven'.
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende