De belangrijkste redenen die Hugo de Groot rond 1615 aanvoerde om joden toe te laten waren de volgende.
Ten eerste moeten alle christenen zich inspannen voor de bekering van de joden: daarom kan men hen niet isoleren van de christenen.
Men kan immers niemand overtuigen met wie men geen contact kan hebben: bovendien is het niet om het even met wat voor christenen joden
contact hebben. Bij voorkeur moeten zij met gereformeerden om kunnen gaan, zodat ze ook daadwerkelijk tot 'de waarheid' kunnen komen.
Ten tweede gold het gebod van naastenliefde (& 't "liefhebben van je vijanden"

ten aanzien van alle mensen, dus ook ten aanzien van joden.
Waarbij voor de joden nog als extra kan worden aangevoerd dat men ze vanuit de bijbel moet beminnen 'om der vaderen wil'.
Joden moeten daarom gastvrij in het land worden toegelaten, en ten derde is het kennelijk Gods bedoeling dat de joden ergens wonen en dat zou dus evengoed in de Nederlanden kunnen zijn, waar precies dezelfde voors en tegens kunnen wordennaangevoerd als in andere landen.
De belangrijkste redenen die HdG aanvoerde om joden niet toe te laten waren dat
"'t aenzijen alleen van haer persoonen den swacken brengt in een bedencken van onseeckerheyt van de principale ppincten diije noodigh zijn tot onse zalichheijt' en dat
'den affkeer ende haeg dije de Joden draegen tot de Christenen' tot
'oproer ende andere inconvenienten' zouden kunnen leiden.
De Groot pleitte er daarom voor om Joden wel toe te laten en ook godsdienstvrijheid te gunnen, maarcdan wel onder een groot aantal beperkende omstandigheden. Het voorstel van HdG werd uiteindelijk niet aangenomen. De steden werden vrij gelaten om ieder hun eigen toelatingsbeleid te voeren en dat deden ze dan ook. Joden konden zich i/d 17de eeuw in een aantal Nederlandse steden weer vrij te vestigen.
Amsterdam is wat dat betreft het meest sprekende voorbeeld, hoewel deze stad de joden aanvankelijk nogal beperkte in hun mogelijkheden.
Het kwam i/d Nederlanden niet meer tot anti-joodse ongeregeldheden en Joden konden in betrekkelijke vrijheid leven en werken.
Joden konden weliswaar geen lid van de gilden worden, maar ze hoefden zich niet door een uiterlijk kenmerk als jood herkenbaar te maken.
Tevens mochten officieel alleen maar de calvinisten hun godsdienst openlijk belijden, maar in de praktijk hadden ook de joden godsdienstvrijheid
...