wie of wat zegt mij dat god bestaat?


KANT
kan God
niet meer missen.
En wij [o.a. in myDi]
kunnen kiezen {dag en nacht}
uit 1001 fantastische voorstellingen dichtbij en wat verder af?
De idee van God is volgens K voor de wetenschap van geen enkel belang ...
Ze is uitsluitend van belang voor de moraal!
Maar dan ook van wezenlijk belang.
Dat vraagt om enige uitleg, want K's redenering is erg abstract.
Dus eventjes nog de tandjes [indien aanwezig] op elkaar en de hersens
[indien 'n beetje warmlopend]
gepijnigd ...


Volgens K
is voor het morele handelen vereist de idee dat God bestaat
en dat de ziel onsterfelijk is!
Waarom?

Omdat
het hoogste doel
van het morele handelen de gelukzaligheid is.
Die wordt je geschonken als je die waardig bent.
In zijn algemeenheid luidt het morele gebod:
'handel ZO dat je het waardig wordt om gelukkig te zijn'.
Mooi, maar als je zo handelt, is het dan reeel om te hopen
het geluk ook echt
deelachtig te
worden?

Het kan ook
een illusie zijn:
je mag dat alleen hopen, zegt K,
als er in de wereld van de moraal,
dat is in de wereld van de transcendentale rede
~ de enige wereld waar vrijheid heerst! ~
een hoogste Rede bestaat die zowel gebiedt wat ethisch noodzakelijk is
als ervoor zorgt dat de natuur ZO werkt dat zij, die de gelukzaligheid waardig zijn,
haar ook ontvangen!

DAT
is de 'idee van het hoogste goed'.
De realisering daarvan is uitsluitend mogelijk in de wereld van het denken,
die geregeerd wordt door een wijze schepper en onderhouder
[net zoiets als de mensheid in de wereld van alledaagse boodschappen
afhankelijk is van een nijvere schappenvuller en aanvoerlijnen
ter vervulling van de
'behoeften'?] ...

Anyway,
DIE wereld [of dat soort werelden] is een belofte
[AH let {OOK} op de kleintjes],
maar in de empirische werkelijkheid bestaat zij [nog] niet!
Zonder de belofte van de beloning [een vol boodschappenwagentje]
en de dreiging van straf [honger en dorst] is moreel handelen een slag in de lucht
[ook al moeten we er wel voor 'betalen']?
En ZO komt boontje om zijn loontje en Kant ondanks alles
toch weer bij God uit:

"Zonder een God en zonder een voor ons niet zichtbare
maar wel gehoopte wereld,
ondervinden de verheven ideeen der zedelijkheid weliswaar
veel bijval en bewondering,
maar vormen zij [meestal nog] geen drijfveren
om overeenkomstig te handelen
"
[Kant, Kritiek der reinen Vernunft,
II, 2,2; Werkausgabe,
IV, 682].

Op deze manier
creeert K ruimte voor het geloof.
Geloven houdt het midden tussen menen en weten.
Op het hoogste niveau van het denken is menen te weinig en weten te veel?
Op DAT niveau komt het vooral aan op geloven!
Geloven mikt op mogelijkheden, niet op zekerheden ...
K maakt onderscheid tussen mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid.
Als een verschijnsel aan een ander verschijnsel voorafgaat
en als de locatie vanbeide verschijnselen ten opzicht van elkaar dusdanig is
dat veroorzaking niet bij voorbaat is uitgesloten, dan is het mogelijk
dat er van veroorzaking sprake is,
maar dat hoeft geen werkelijkheid te zijn?
Met noodzakelijkheid ligt het weer anders!
Als bijvoorbeeld ergens een kind rondloopt
waarvan we niet weten wie de vader en de moeder zijn,
dan weten we nog WEL dat het noodzakelijkerwijs
een biologische vader en moeder heeft,
maar niet WIE
dat zijn ...

Welnu,
zegt onze K,
het besef dat God bestaat
en dat er op een toekomstige wereld gehoopt kan worden,
behoort NIET tot de mogelijkheidsvoorwaarden van het empirisch denken,
maar tot die van de praktische rede, dat is het menselijk handelen.
We handelen zelden uit zekerheid,
veel vaker uit hoopvolle
verwachting.

Wie moreel handelt
doet dat NIET in de zekerheid dat dit ZIN heeft,
maar in het geloof en de hoop dat dit zin heeft.
Geloof is de mogelijkheid van zingeving aan het bestaan.
[Productie is de waarschijnlijkheid van [tijdelijk & redelijk] menselijk voortbestaan,
en verzorging van behoeftigen is het uitvloeisel van 'menselijkheid'?] ...
Je bent er zelfs zeker van dat niets dat geloof aan het wankelen kan brengen,
want als dat WEL het geval was dan zou je ophouden moreel te handelen.
{Je gaat door met het deel uitmaken van de menselijke gemeenschap
in de veronderstelling dat het zin heeft om je schappelijk te gedragen?}.
Als je er niet mee ophoudt om moreel te handelen en als je ook het besef hebt
daarmee niet te KUNNEN ophouden, dan mag je dat niet verleiden om te zeggen
dat je WEET dat God bestaat en dat je WEET dat er een toekomstig leven is,
want DIE zekerheid is NIET een empirische,
maar een ethische
zekerheid
...

Ze
berust geheel
op subjectieve gronden, namelijk op jouw morele gezindheid,
en daarom kun je dan ook nooit zeggen:
het IS ethisch zeker dat God er is, maar slechts:
IK ben er ethisch zeker van dat God er is?
Het godsgeloof is [en blijft] onvermijdelijk
subjectief: een persoonlijke overtuiging,
geen algemeen
gevoelen!


Let wel,
K zegt niet
dat je alleen
moreel kunt handelen als je in God gelooft
en in de onsterfelijkheid van de ziel!
Hij zegt dat handelen uit oprechte morele gezindheid veronderstelt
dat je gelooft
in de zin van dat handelen; vervolgens zegt hij dat dit geloof betekent
dat je de voorstelling hebt
dat er een God is die het kwade straft en het goede beloont?
DAT veronderstelt weer de onsterfelijkheid van de ziel,
want als het met de lichamelijke dood helemaal uit is,
het kwaad nog niet gestraft is
en het goede nog niet beloond ~ de gebruikelijke gang van zaken ~
dan heeft het bestaan van een God die rechtvaardig oordeelt
voor ons geen enkele betekenis ...
Geloof in God en in de onsterfelijkheid van de ziel
heeft alleen maar zin
als dat ons leven en
doen beslissend
bepaalt!

Is dat
niet het geval,
dan geloven we niet,
ook al nemen we aan dat er wel 'iets' moet zijn
en dat we na onze dood 'op de een of andere manier' voortbestaan?
Kortom: als je gelooft dan kun je voor de zingeving van jouw bestaan
"G D" niet meer
missen

@
07 jan 2007 - bewerkt op 24 jun 2008 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 81 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende