verwaaiende mydibladeren in virtuele cyberwinden?!
~*~ EEN inktzwart dak tegen een rode lucht en sterren tussen bomen wolken tedere contouren en geluiden een klepperende paardenhoef kwetterende mussen en een handvol vogels katten honden mensen boeren met flakkerende lampen als gevallen sterren tijdelijke landschappen rond veranderende dorpen steden wegen ontstaan uit menselijker daden en gedachten gezichten door de jaren heen als omgeploegde akkers lantaarnpalen langs duistere wegen simpel gevoel van heimwee naar wat was en nooit meer weerkomt: dat lief gezicht die zachte handen een glimlach een gebaar een toegewend gelaat van ademende avonden op lage landen spinraggen tussen groen blad en donker hout een overrijpe zonnebloem nog goud nog welig maar gekromd in stervenspijnen en zoetrottende geuren en schampend over ons deemoedig blonde hoofd een matte lage zon een laatste gele schijn van jeugd vervlogen na zwervende jaren vol samen doen en eenzaamheid al wat maar menslijk is groeidriftig uit de aarde klom keert tot de donkre rust weerom wat fors en struis was wordt weer teer en klein wat schoon en toomloos hevig heeft gebloeid wacht nu ten dode toe vermoeid op dingen die onkeerbaar komend zijn de zandpaden zijn bijna uitgestorven hier en daar en weggedoken onder asfalt stenen aan de borst der aarde waar ik woonde en omgetoverd in waar ik nu woon zonder de geiten schapen van weleer de ijle luchten boven welig gras van jaren hunkrend naar de schuur om hooi te worden en tot melk de appels peren pruimen kersen aardbeien vruchten ooit vertederende bloesems zijn verhard tot fruit als kippen voor de slaap bijeengedoken klein verwaaid waar achter wagenwijde open deuren de schatgewelven van de hoge hemels geuren paars en purper goud en zilverwit: de moeder nam in haar twee zachte handen zijn voetjes die zo broos als schelpen waren en wilde wel hun hulpe- loosheid voor eeuwig bewaren opdat zij niet hoefden te gaan door zoveel schande en zij weende om mijn jonge schuldenloze ogen wier argloos dromen nog niet was geschonden zij wilde ze wel dekken met haar mededogen opdat ze zonden nimmermeer zouden aanschouwen konden en zij kuste schreiende mijn tedre leden die zo smetteloos als witte roze bloesems waren en wist nochtans dat er geen klachten of gebeden konden zijn die ons het bitter lijden konden besparen: nu is de glans dan ook van al die liefelijke ogen al gedoofd en buigen wij in opperst lijden 't heilig godlijk menselijke hoofd en armen teder uitgestrekt zijn wreed gesplakt en gruwlijk uitgerekt met handen die wij zegenend hadden opgebeurd zijn fel doorspijkerd op het kruishout vastgeklonken en met bloed besmeurd ons hart dat stil ineenkromp huilde om de nood der mensen is nu gebroken in de dood van onvervulde wensen o zeker god kan redden en wie boos en schuldig zijn worden geduldig weggedragen in die pijn jij wilt zelfs wezen tot ons aller toeverlaat voor hen die ons nog honen in 't verwond gelaat en achter gindse bergkam licht de lucht op als een kleurenwaaier die donkre rompen bedekt en open breekt door eeuwen grensloos lijden vreugde en verdriet terwijl de aan de aarde ontrukte huizen vergruizen tot stof dat wegwaait in de wind de moederlijke kloeken en de vaderlijke trotse hanen zijn eveneens vergaan en hebben zich ook omgetoverd tot hen die in het nu bestaan en hier hun stempels drukken om te komen tot verstaan van de grijsgrauwe dampen en de mist die rijst en oplost als de zon verschijnt over de akkers van de eeuwigheid en 't vee staat in de ruststand groot gerezen op melk en gras breedschonkig hunkrend naar de stal 't warme mestdoorgeurde de stoere kerels naakt bezweet de vrouwen vastomsluierd en kindren spelend met kluiten aarde aan de waterstromen steentjes gooiend al dat en meer aan moeder aarde's groei onrukt en eindeloos voortkomend uit de rotsen zeeen oceanen bergen heuvels bronnen stromen het menselijker hart dat na de planten en de andre dieren klopt in beminnend oerverlangen en als de wagens met de oogst weer huiswaarts keren en zoals beloofd worden verdeeld onder de rijken en de armen dan spiegelt zich dit alles in het licht van flakkerende olielampen dan branden de haardvuren op in 't nachtlijk donker opdat we met z'n allen gaan verzinken in de dood der slaap vol dromen waar alles wat gebeurde ongetwijfeld telkens opnieuw terugkeert in verinnerlijkte beeldenstromen en al wat was herhalend zich verandert zodat het een nieuw leven lijkt te leiden omsluierd door gevoel dat opkwam en zich uitgoot over dat wat was en is en komende in ons die er ook getuigen van mogen zijn totdat ook onze blaadren vallen bleek en kopergeel en dun als oud papier bijna geheel doorzichtig en breekbaar teder onuitspreeklijk losgeraakt om kantelend met schroom zacht vlinderlijk gewijs te vallen uit de boom van leven en terug te keren tot de schoot van moeder aarde aarzelend vastbesloten door eigen dadendrang een tijd verstrikt en vroeg of laat na rijp of zorgeloos beraad al wankel en als in een ijl gebaar niet langer lenig dansend even schommelden op tijdreis van de blauwe lucht geluid en kleur vertoonden en bekenden om te vergaan tot stof en slik ook dat zijn wij ... ~@~