IN
de 'relifilo~taal'
van toentertijd was
loven en danken het bewijs,
dat de leerlingen in Yehosjoea geloofden,
zij zagen hem als hun meester en masjiach:
'de gezalfde verlosser en bevrijder
van de eeuwige ondergang'.
In hem
hadden zij als het ware 'g d aanschouwd':
zonde en dood hadden de 'heilige g ds' niet kunnen aantasten
en vernietigen.
Zijn liefde
was niet geblust door hun vlucht en verloochening: hij was 'dood',
en zij leefden dankzij hem.
Zij,
zijn leerlingen en volgelingen,
die dagelijks met hem geleefd hadden voor een paar jaar {?},
kenden hem, toen niemand hem
nog kende.
Maar nu
was het leven van 'de opgestane'
niet meer te zien.
Zijn kracht,
vrede en liefde behoorden
tot het verleden.
Zijn lof
zouden zij verkondigen onder de mensen:
want zij hadden hem aanschouwd en hij had hen overtuigd.
En zij zelf? Hoe zouden zij nu verder leven,
zonder hemzelf nog langer
bij hen te hebben?
Zij geloofden in hem,
maar wat meer waarde had voor hen,
was, dat hij had geloofd
in hen.
Hij wilde,
volgens zijn eigen woorden,
zoals zij die hadden verstaan,
dat zijn leven op aarde door hen voortgedragen zou worden.
In zijn volgelingen had hijzelf het verlangen daarnaar gewekt
door te zeggen:
de kracht van heilige geest
zal over jullie komen.
Dus nu
gaan de achtergeblevenen
bidden en smeken, omdat zij, hoewel zij hun g d
danken en loven,
er zich van bewust zijn,
dat zij arm zijn,
en dat hun armen en benen, ogen en oren, en alles wat in hen is
zijn gaan opleven doordat zij iets van hem te weten zijn gekomen in die jaren van samen optrekken
door het door de Grieken en Romeinen bezette land
aan de oostgrens van het Romeinse
[nu Amerikaanse]
'wereldrijk'.
Zij weten
iets over hem,
maar zij hebben nog niet genoeg
van hem ...
Zij hebben nu zijn opdracht:
van hem en zijn blijde boodschap te getuigen
ondanks alles?
Maar
zij hebben er
de kracht en de geest nog niet toe.
Bidden en smeken getuigen van de armoede van onze ziel
die wij willen opheffen door ons te verheffen naar de rijke en goede bron
van alle dingen die eruit voortkomen:
het is ons hart openzetten voor wat de meester voor ons heeft en vrij aan een ieder geeft die daarom smeekt en alle eigen kracht en wijsheid vallen nu dan ook weg ~
als een 'mydimens' bidt en smeekt,
dan komt bij wijze van spreken en schrijven onze stem in de hemel over
als een armelijk en bijna 'onhoorbaar'
fluisterend en woordloos
klagelijk geluid?
TOCH
is het sterk genoeg
om de hemel te vervullen, zodat 'de onze vader/moeder'
het altijd weer hoort ...
Waarom
moesten zij zo lang wachten?
En waarom moeten ook wij vaak nog zo lang wachten op die vervulling?
Om je het opzoeken van het antwoord in al die duizenden mydiverhaaltjes hieraanvoorafgaande te besparen, herhaal ik het nog maar even voor de liefhebbers en eventuele andere ongeduldige nieuwsgierigen.
Het wachten
was en is als de ploeg,
waarmee g d hun en ons hart opende en nog steeds opent,
opdat we zouden kunnen en willen ontvangen,
wat 'hij/zij/het' aan 'm/v KIND'
te geven heeft.
Op het Wekenfeest,
naderhand ook wel 'pinksterfeest' genoemd wordt g ds antwoord,
verwacht en toch nog onverwacht,
in geloof vernomen!
Het teken,
dat het o zo zwakke mydimensengeluid de hemel als het ware vervuld had,
was, dat het sterke geluid van g ds geest het huis, waar zij bijeen waren,
plotsklaps vervulde en tot 'uitbarsting' kwam binnenin
en rondom hen en nu ook
in ons.
Het antwoord
op hun geloof in hem/haar {"HET"}
de vertegenwoordiger en profeet van yhwh/yahweh die was en komende en wordende is in ons
werd openbaar [niet langer alleen maar prive en/of lezerslijst!]
in het teken van zijn geloof in hen en ons:
het vuur van de Geest.
Hun
en ons smeken
IS
in g ds hart ingegaan
volgens de oerverhalen en ~schriften [zoals beloofd!]
en dan gaat g ds geest ook hun en onze harten binnen,
bij wijze van spreken als een dief in de nacht,
als een zonsverduistering midden op
de zonovergoten dag en als een
oerknal in het oeroude
'machobonobo'
brein.
Zij
zijn vol
van heilige geest:
en nu kunnen ook
zij en wij dadelijk doen,
waartoe Yehosjoea hen en ons en ieder mens van goede wil, geroepen heeft,
vanaf het begin der menselijke oertijden tot aan het einde der
mydidagen: getuigen van onze verlossing en
uiteindelijke bevrijding.
Zij
spreken nu
wat de Geest hen
en ons te spreken gaf
en geeft elke dag weer in
vernieuwend, komend, wordend leven
diep van binnenuit.
De
prediking van
Petra is geen wonder van schoonheid
noch van een buitengewone ueberspeciale extra superduper gedachtengang.
HET wonder is: het nieuwe geluid, dat voor het eerst in zijn en onze stem kan worden vernomen
voor een ieder die maar wil leren horen en zien
wat ooit verborgen was ...
Die
"Naam" Yehosjoea ['g d redt']
als vertaling van yhwh/yahweh:
die was en al komend wordende is in ons
[tat tvam asi: rak kach!}:
['yesj gvoel' we'ein sof'?]!
die vanaf nu
en voor alle komende eeuwen
HET verlossende "Woord" is,
heeft hij met wonderlijke kracht uitgesproken
zo gaat dat mydiverhaal?
Er
werd gevoeld,
dat in die
"NAAM" de kracht werkte
van een levende persoon: 'g d'
MET ons en in ons
'imanoe'el'!
Er
werd ervaren,
dat deze Yesjoea,
die zij en wij gekruisigd hadden,
althans dat niet hadden en hebben kunnen verhinderen,
door g d zowel tot heer als tot gezalfde verlosser en bevrijder gemaakt was en is:
velen werden gedreven naar de naam en de betekenis van Yesjoe, de 'opgestane'
geweldvrije 'opstandeling' die als met machtige 'goddelijke' armen
hen en ons reddend
omsluit