"
Wie is het
die uit Edom komt,
uit Botsrah, in purper gekleed,
met praal getooid, die zich groots en machtig verheft?"
Ik ben het die in gerechtigheid spreekt en bij machte is te redden.
"
Hoe komen je kleren zo rood, als de kleren van iemand die de wijnpers treeds?"
Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij.
Ik trad hen in mijn woede, vetrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren, al mijn kleren werden besmeurd.
Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp, ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding, door mijn woede aangespoord.
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt, met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd.
Hun bloed liet ik op de aarde neervloeien.
Ik zal de liefde van de eeuwig komende aanwezige gedenken en zijn roemrijke daden bezingen:
alles wat hij/zij/het voor ons heeft gedaan, de goedheid die hij het volk van Yisraeel bewees
in zijn ontferming en onbegrensde liefde.
Hij zei:
"Natuurlijk, het is mijn volk! Mijn kinderen zijn te vertrouwen!"
Daarom wilde hij hun redder zijn. In al hun nood was ook hijzelf in nood:
zij werden gered door de negel van zijn tegenwoordigheid.
In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost,
hij tilde hen op en heeft hen gedragen,
alle jaren door.
Maar zij
zijn in opstand gekomen
en hebben zijn heilige geest gekrenkt.
Daaromwerd hij hun tot vijand en bond hij de strijd met hen aan.
Toen dacht hij aan de dagen van weleer,
aan Mosjeh &
zijn volk.
Waar is hij die zijn volk door de zee voerde, waar zijn de herders van zijn kudde?
Waar is hij die hen bezielde met zijn heilige geest?
Die Mosjeh ter zijde stond
met zijn luisterrijek arm, die voor hen het water kliefde
om zich een eeuwige naam te verwerven
[ten tijde van de ontploffing {1370?}
van Thera!]?
Die hen door de diepte leidde
als paarden door de woestijn, zonder dat ze struikelden,
als vee dat afdaalt
naar het dal?
Het was de geest van de eeuwig komende aanwezige die hun rust gaf!
Ja, jij hebt zelf jouw volk geleid om je een luisterrijke naam te verwerven.
Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit jouw heilige, luisterrijke woning!
Waar zijn jouw strijdlust en jouw machtige daden?
Jij bent niet meer met mij begaan,
jouw ontferming gaat aan mij voorbij.
Jij bent toch onze vader?
Avraham heeft ons niet gekend
en Yisraeel zou ons niet herkennen, maar jij,
Eeuwig Komende Aanwezige, bent onze vader,
van oudsher heet jij
Onze beschermer!
Waarom,
Eeuwig Komende Aanwezige,
liet jij ons afdwalen van jouw wegen?
Waarom
heb jij ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor jou hadden?
Keer toch terug, omwille van jouw dienaren, van de stammen die jou toebehoren.
Sinds kort hebben onze vijanden jouw heilig volk in hun macht gekregen en jouw heiligdom vertrapt.
Het is alsof jij nooit over ons hebt geheerst, alsof jouw naam
nooit over ons is
uitgeroepen!
Scheurde jij maar de hemel open om af te dalen!
De bergen zouden
voor jou beven.
