ook mensenlevens zijn als het gras:
PS 100/102/103
Iubilate Deo ~ schalt het uit voor de ENE, heel de aarde,
dient de ENE met vreugde, komt voor zijn aanschijn met gejubel! ...
Weet:
de ENE, hij is g d,
hij heeft ons gemaakt en niet wij onszelf,
zijn gemeente, de kudde die hij weidt!
Komt in zijn poorten met 'n danklied, in zijn voorhoven met 'n psalm, brengt dank aan hem, zegent zijn naam!
Want goed is de ENE, voor eeuwig zijn vriendschap, ~
van geslacht tot geslacht is daar
zijn trouw!
Misericordia et iudicium ~
ik ga zingen van vriendschap & recht, voor jou, ENE, maak ik muziek!
Ik zal acht slaan op een weg die volmaakt is, wanneer kom jij tot mij? ~
ik wil wandelen in de volmaaktheid van mijn hart, midden in mijn huid.
Nooit zet ik tegenover mijn ogen 'n woord van Belial, ~ 't doen van afvallige heb ik altijd gehaat,
op mij heeft 't geen vat. Laat 'n vals hart van mij wijken, van kwaad wil ik niet weten.
Wie heimelijk lastert over z'n naaste, hem laat ik zwijgen! ~ hovaardige ogen & 'n gezwollen hart,
dat kan ik niet uitstaan! Mijn ogen zijn in dit land bij de getrouwen, dat die bij mij willen zitten, ~
een die wandelt op een weg die volmaakt is, hij mag bij mij dienstdoen.
Nooit zal zetelen in het midden van mijn huis 'n dader van bedrog, 'n spreker van leugens;
hij wordt niet bevestigd in 't tegenover van mijn ogen. In de ochtenden breng ik tot zwijgen alle boosdoeners i
n dit land, ~ zal ik uitsnijden uit de stad van de ENE
alle bedrijvers van onheil!
Domine, exaudi ~
gebed van 'n gebukte, als hij bezwijkt;
& voor 't aanschijn v/d ENE z'n verzuchting uitstort.
O ENE, hoor m'n gebed, laat mijn hulpgeroep komen tot jou!
Houd voor mij niet jouw aanschijn verborgen op de dag dat 't mij benauwd is, neig tot mij jouw oor,
op de dag dat ik roep geef ijlings mij antwoord! Want mijn dagen zijn vervlogen in rook,
m'n beenderen zijn uitgebrand als 'n stookplaats.
Geslagen als 't gras & droog is m'n hart,
ja, m'n brood vergat ik te eten.
Mijn geluid is m'n zuchten,
m'n gebeente kleeft aan m'n vlees.
Ik lijk op 'n roerdomp in de woestijn,
ik ben geworden als 'n steenuil in ruïnes.
Ik blijf wakker, ben geworden als 'n vogel eenzaam op 'n dak.
Heel de dag hebben m'n vijanden mij gesmaad, die over mij zwetsen hebben bij mij gezworen.
Ja, ik heb gegeten: as voor brood, & wat ik drink heb ik met m'n wee-klacht gemengd, ~
in 't aanschijn van jouw woede, jouw toor : want jij hebt mij opgeheven & laten vallen.
Mijn dagen zijn als 'n schaduw geweken, & ikzelf, ik verschrompel als 't gras.
Maar jij, ENE, zetelt voor eeuwig, gedachtenis aan jou
is 'r van geslacht op geslacht!
~~~~~~~~

JIJ,
jij zult opstaan,
je over Tsion ontfermen,
want het is tijd om haar genade te tonen,
ja, 't samenkomstuur is gekomen!
Want in haar stenen hebben jouw dienaars behagen, en met haar stof zijn zij begaan.
Dan zullen volkeren vrezen de naam van de ENE, alle koningen der aarde, jouw glorie!
Wanneer de ENE Tsion zal hebben herbouwd, zich in zijn glorie heeft laten zien;
zich heeft gewend naar 't gebed van de berooide, hun bidden niet heeft veracht.
Dit worde beschreven voor een generatie van later, de gemeente die dan wordt geschapen zal loven de ENE.
Omdat hij uit zijn verheven heiligdom neerzag, de ENE uit de hemelen keek naar de aarde om te horen
de zucht van wie is gebonden, 'n opening te schenken aan de kinderen des doods.
Om in Tsion te vertellen de naam van de ENE, in Yeroesjalayiem zijn lof! ~
als gemeenschappen eendrachtig te hoop lopen, koninkrijken tot dienst aan de ENE!
Onderweg brak hij mijn kracht, verkortte m'n dagen.
Ik zeg: mijn g d, laat mij niet opgaan op de helft van m'n dagen:
geslacht na geslachten duren jouw jaren!
Voormaals heb jij de aarde gegrondvest, ook 't maaksel van jouw handen: de hemelen!
Zij gaan teloor & jij houdt stand, allen zullen zij verslijten als 't gewaad; als 't kleed verwissel jij hen
& worden zij verwisseld. Maar jij blijft dezelfde, jouw jaren zijn nooit voltooid!
De zonen van jouw dienaars: mogen ze ongestoord wonen, laat hun zaad
voor jouw aanschijn bestaan!
Benedic, anima mea ~
Zegen, mijn ziel, de ENE,
al wat in mij is: zijn heiilge naam!
Zegen, mijn ziel, de ENE, en vergeet nooit al wat hij volbrengt! ~
die vergevend is voor al je onrecht, die genezend is voor al je ziekten;
die verlost uit de groeve je leven, die je omkranst met vriendschap & ontferming;
die verzadigt met 't goede je verlangen, nieuw wordt als de arend je jeugd.
Doende met gerechtigheden is de ENE, & met rechten voor alle verdrukten.
Kennen deed hij zijn wegen aan Mosjeh, aan Israels zonen zijn handelen.
De ENE is ontfermend & genadig, lankmoedig, overvloedig in vriendschap.
Niet voor immer duurt zijn geding, niet voor eeuwig blijft hij wrokken.
Niet naar onze zonden heeft hij ons gedaan, niet naar onze ongerechtigheden over ons voltrokken.
Nee, zo hoog als de hemel boven de aarde is heldhaftig zijn vriendschap over wie hem vrezen;
zo ver als zonsopgang is van waar daalt de avond, doet hij onze misstappen ver van ons weg.
Zoals een vader zich ontfermt over zonen, ontfermt zich de ENE over wie hem vrezen.
Want hij weet hoe wij zijn gevormd, blijft indachtig
dat wij stof zijn.
'n Mensje:
als gras zijn z'n dagen,
als de bloem op 't veld,
zo bloeit hij.
Want 'n storm trekt erover & hij is weg,
de plaats waar hij stond kent hem niet terug.
Maar de vriendschap van de ENE is van eeuwig tot eeuwig over wie hem vrezen,
zijn gerechtigheid voor zonen van zonen; voor wie zijn verbond bewaken, voor wie gedenken zijn opdrachten
om die te doen.
De Ene
heeft z'n troon gesteld in de hemelen, zijn koningschap heerst over alles.
Zegent de Ene, engelen van hem, sterke helden, daders van zijn woord, om te horen naar de stem van zijn woord.
Zegent de Ene, zijn heirscharen alle, zijn helpers, daders van zijn behagen!
Zegent de Ene, al zijn daden, op alle plaatsen van zijn heerschappij, ~
zegen, mijn ziel,
de Ene!
