Voorwaarts terug naar de eerste eeuw van Yehosjoea haNatsri aka haMasjiach, farizeeen, sadduceeen e.d.
Al
met al
was de toestand
intussen zo verslechterd dat
ook de bemiddelingspogingen van de haastig uit 't Egyptische Alexandria toegesnelde Agrippa
geen enkele kans van slagen meer boden:
de tocht naar de algehele ondergang [& opgang] raasde al voort
als 'n virus binnen 't Romeinse wereldrijk rondom hun Mare Nostrum
en het leek de koning zelfs geraden om Yeroesjalayiem weer snel te verlaten ~
hij achtte zich er nu niet langer nog veilig!
Toen kort daarna bekend werd
dat zeloten erin geslaagd waren om de Romeinse bezetting van Metsada,
de sterkste vesting aan de oever van de Dode Zoutzee, te overweldigen,
verloren de sadduceeen voorgoed hun greep op het volk.
Naar oproepen om 't verstand te gebruiken & met
de Romeinen tot een accoord te komen,
werd nu dus al helemaal
niet meer geluisterd.
Op aandrang
van de hoofdman van de Tempelwacht,
Eleazar, zoon van de vroegere hogepriester Chananya,
werd 'r daarna besloten om 't brengen van 't dagelijke offer voor de keizer,
een tweemaal per dag herhaalde ceremonie,
voortaan te staken!
Hoe krachtig
de sadducese partij zich ook nog bleef verzetten,
de massa ging voort om voortaan vooral Eleazar te steunen
en de Tempelberg werd door zijn aanhangers helemaal bezet
volgens Flavius Josefus
{BJ. II,17,2&3}!
Zeven dagen lang
streden de zeloten & hun aanhang tegen de sadduceeen & de mensen
die geneigd waren om koste wat het kosten zou de vrede met de Romeinen te bewaren.
Het huis van de hogepriester en het paleis van Agrippa & Berenice gingen alras in vlammen op:
tenslotte moest zelfs het Romeinse cohorte dat ook in die strijd betrokken was capituleren!
Nauwelijks hadden de soldaten onder 't beding van vrije aftocht de wapens gestrekt
& neergelegd of Eleazar brak zijn woord & liet de soldaten vermoorden & afslachten:
NU
was de breuk met Rome definitief
[Flav. Jos. BJ. II,18,9-20]!
Cestius Gallus,
de stadhouder van Syria,
liet zijn leger voor een strafexpeditie oprukken naar Yeroesjalayiem.
Moordende en plunderende trokken zijn soldaten door het noorden van het joodse land:
de leden van de sadducese partij, daarbij gesteund door een deel van de burgerij,
deden nog eens opnieuw wanhopige pogingen om de zeloten
in hun bewegingen te belemmeren om op deze wijze
de Romeinen aan de overwinning te helpen,
maar Cestius kon zich in de omgeving
van Yeroesjalayiem niet staande
houden en moest zich
terugtrekken.
Tijdens die aftocht
werden de Romeinen van alle kanten bestookt zodat de uitrusting van de troepen
verloren ging en vele soldaten sneuvelden. Omdat er nu helemaal geen plaats meer was
voor enig diplomatiek overleg en/of wat voor onderhandelingen dan ook ~
middelen waarvan de sadduceeen zich in die afgelopen eeuwen nog steeds hadden bediend ~
verliet een deel van hen de stad
[Flav. Jos. BJ. VI,6-6]!
De leden van de partij die achterbleven
moesten zich nu voortaan ook in het onvermijdelijke schikken
en temidden van de ook onderling zeer verdeelde radicale{r} groeperingen
konden ze nauwelijks iets doen?
Steeds meer mannen uit priesterschap
en aristocratie werden gegrepen omdat ze zich in de ogen van de zeloten
al veel te lang aan hoogverraad hadden schuldig gemaakt!
De laatste sadduceeen
poogden nog op hun beurt uit de stad weg te komen op wat voor manier dan ook
& menigeen moest deze vluchtpogingen met de dood bekopen,
terwijl zij die er wel in slaagden op de ene of andere wijze
nog uit de stad te verdwijnen korte tijd later gedwongen
waren om er weer terug te keren omdat ze in de
naaste omgeving van Yeroesjalayiem,
waar ze waren ondergedoken,
door het naderende leger
van Vespasianus
bedreigd werden!
Het lot van hen
die gevlucht waren kort nadat Cestius Gallus de aftocht had geblazen,
was weinig beter: zij werden voorzover ze nog het vege lijf konden redden tot de bedelstaf gebracht:
de bezittingen van deze mensen lagen voor een groot deel in de omstreken van Yeroesjalayiem
en dus werden ze ook heel erg zwaar door de gevolgen van de oorlog tegen de Romeinen
[en de burgeroorlog{en}]
getroffen
...
De Romeinse legionairs
hebben bij de belegering van Yeroesjalayiem in de wijde omtrek alles met de grond gelijk gemaakt:
de Olijfberg werd een reusachtig legerkamp ~ de veldheren adviseerden om de afsluiting van de stad
zo effectief mogelijk te maken. Voor de bouw van de wallen en verschansingen was 'r
dan ook heel veel materiaal nodig ~
alle bomen van de landerijen
die rondom de stad waren
gelegen, werden daarom
praktisch allemaal
gekapt.
Dat
deze rigoureuze
maatregel niet alleen
maar betrekking had op de terreinen
die in het schootsveld van de slingerwerktuigen, katapulten e.d.
onderaan de stadsmuur waren gelegen, maar ook op alle stukken grond
die ver van de stad verwijderd waren
kan uit alle aantekeningen van
Josefus worden
afgelezen!
De
bomen werden
nog gekapt en
gerooid tot op 'n afstand
van negentih stadia, bijna zeventien kilomater van Yeroesjalayiem!
En Josefus die onderhand in het kamp van de Romeinen
dit beleg van de stad meemaakte [nadat hij als laatste
overlevende & bevelhebber van
Yotapata in Centraal Galilea
door hen was gevangen genomen],
voegt hieraan toe dat
de Olijfberg nu 'n volkomen
troosteloze aanblik
bood:
"Het
hele gebied
waar vroeger zoveel
bomen stonden & dat alom bekend was
om zijn goed onderhouden boomgaarden
was een verlaten landschap geworden.
Elke vreemdeling die bij 'n vorig bezoek aan Judea
onder de indruk was gekomen
van de fraaie omstreken van deze stad,
zou nu wanneer hij zag
hoe alles in 'n wildernis was veranderd,
een klaaglied aanheffen.
Door deze oorlog was
werkelijk alle vroegere
luister volkomen
verdwenen!"