*
WAT
was 'er' gangbaar
[TOEN]
&
WAT
zijn we daarna via Yehosjoea
[NU]
'anders' gaan zien
'op de
[lange]
duur'?
~*~
We hebben
'het nu' dus wel
over
monotheisme en niet [meer] over een 'veelgodendom'
of een 'geengodendom'!
~@~
De joden
geloven dat er maar EEN
'ware' "G D" is ...
"HIJ" heeft de wereld 'geschapen'
en bestuurt 'hem nog
steeds'.
~!@!~
In de
omringende culturen
waren er zowel goden als godinnen,
maar voor de joden was 'g d' ontegenzeggelijk 'een man'
en ik zou een verkeerde voorstelling
van de bronnen geven
als ik 'deze G D'
als een 'zij' zou bestempelen
of 'n onzijdig 'het'!
~!@#*#@!~
Maar veel joden
geloofden wel [nog]
in 'andere bovennatuurlijke wezens':
de z.g. 'engelen
& duivels'?
De
apostel Paul,
die ook de toen gangbare mening van de joden
over deze kwesties
weergeeft, beschouwde heidense goden
als demonen [1 KOR 10:20].
HIJ noemde zelfs de 'aartsduivel', satan,
'de god van deze wereld' in
2 KOR 4:4 ['satan':
zie 2 KOR 11:
14] ...
Voor
een jood
uit de eerste eeuw
impliceerden ZULKE overtuigingen geen ontkenning
van
monotheisme!
Aan
het einde [der tijden]
zouden ALLE machten onderworpen worden
aan de ENE "G D" [1 KOR 15:24-26;
FIL 2:10v.].
Tot
zolang
was ALLEEN DEZE "G D" het waard
om 'vereerd'
te worden!
Niet-joden
[zo vonden de joden]
zouden dit eigenlijk ook moeten inzien,
want 'men kan de schepper toch afleiden uit de schepping',
zoals 'een pot het bestaan van de pottenbakker'
bewijst?
HOE
dan ook,
de joden hadden de 'openbaring' ontvangen
en daardoor was het hen ten strengste verboden om zich
met heidense goden
in te laten!
~!@#$#@!~
OVER
'de goddelijke uitverkiezing
& de wet':
geloofden de joden
dat "G D" Israel had 'uitverkozen'
en een 'verbond gesloten had' met het joodse volk,
waardoor 'het volk verplicht was' om "HEM" te gehoorzamen
en "HIJ" zich ertoe verbond
om hen te leiden en
te beschermen ...
DE
belangrijkste drie momenten
in de geschiedenis van de instelling
van DAT Verbond waren:
de roeping van Avram/Avraham/Abraham/Ibrahim uit UR {GEN 17},
de uittocht uit Egypte ('het slavenhuis'

{EX 14} &
de openbaring van de 'goddelijke wet' aan Mosje op de berg Sinai
[EX 19:16 tot het einde van
DEUT].
DAARUIT
voort vloeide 'hun'
WAT 'te doen' met schuld,
fouten, berouw, straf, inkeer en
'vergeving'/'verlossing' &
bevrijding.













~





~
~~~~~~~
~#~
