"HIJZIJHET"
HAD 't nog niet uitgesproken
& gezegd of hij kreeg een geweldige kriebel aan z'n tenen.
Nou ja, tenen,
'g d' heeft natuurlijk geen èchte ténen zoals wij,
maar kriebel had hij er al wel aan:
het leek wel jeuk!
'n Héle kolonne mieren
was druk bezig om z'n blote (nou ja) 'benen' te beklimmen,
G d had toen nog geen kleren aangemeten gekregen
moet je al wèl immers weten!
Er kropen wormen uit de grond omhoog.
Sprinkhanen sprongen in 't rond & muggen
zoemden om G ds 'hoofd'?
Je kunt 't zo gèk net bedenken
of 't wàs er al wel op de ene of andere manier en vorm:
een lief beestje met lange oren dat al heel vrolijk over 't groene gras aan 't huppelen was?
G d keek ernaar en zei: "Konijn!" Er kwam een hele kudde schapen blatend voorbij! Koeien met dikke uiers
stonden alvast te loeien in de wei. En G d dacht: 'Díe moeten hoognodig gemolken worden?' 'n Slang trippelde
parmantig over een glibberige rotssteen, want de slang had toen nog pootjes! Àlle díeren die je ook maar zou kùnnen bedenken
& namen geven ontstonden 'zomaar', zònder dat g d er verder nu nog iets aan hoefde te doen: ze kwamen allen uit hun holen tevoorschijn, rekten zich lekker uit & begonnen te leven alsof 't de gewoonste zaak van de wereld was
& 't nog nooit ècht helemaal ànders geweest wàs?' G d keek z'n ogen uit:
er was nu opeens zóvéél te zien, horen, voelen, denken, doen, laten &
benoemen dat 't al wel léék alsof de schepping
al klaar was?
Al die planten en dieren waren een ware lust voor het oog & 't óór:
g d genoot er zó geweldig van dat die zesde dag 'n paar miljoenen jaren lang bleef voortduren,
en TÒCH voelde hij[zij/het] nog steeds 'n "GROOT VERLANGEN"! Er ontbreekt 'iets', DÀCHT hij:
er ìs een groot gemìs ìn míj? De anderen planten & dieren leefden er maar een eind op los ZONDER zich
ook maar iets van g d aan te trekken: 'r was nog niemand om 'n fatsoenlijk woord
mee te wisselen, want de woordenschat
van de meeste dieren was toen
nog té zeer beperkt.
Ze zeiden 'boe',
'bah', 'bèh', 'piep', 'tsjirp', 'knor',
'sis', 'sus' & 'sodeska', maar hadden nog geen
ècht gevóel voor 't 'HÓGERE'; ÌK ver-lang naar 'n Goed Gesprèk,
dacht G d: er zóu 'n Sprékend Díer moeten bíjkomen dat wéét heeft van Mìjn Bestáán!
Hóe moest dàt er nu úitzien? Ongeveer zoals ÌK, dacht G d,
maar ÌK hèb heláás géén úiterlijk!
Wàt te dóen èn/òf te láten?
G d vroeg 't zich àf èn
vervolgde z'n schreden
alras, totdat
~~~