Q'69 Hèt wàs 'n miezerige triomf, maar beter dan ~
NIETS:
NOACHS GODDELIJKE
PLAN VERLIEP NIET HELEMAAL PERFECT;
OVER DE DIVERSE DETAILS WAS NIET GOED NAGEDACHT DOOR Z'N ZG. "G D"?!
'VADER, WÀT DÓEN WE MET AL DIE SNATERENDE VOGELS OP HET WATER?' IK, CHÀM,
STELDE MIJN VADER DÀT SOORT VRAGEN MET KINDERACHTIG GENOEGEN, WANT ZO IEMAND ALS IK,
DIE ZIJN EER VERLOOR EN VAN ZIJN EIGEN LAFHEID MOEST BRAKEN, KÈNDE NOG MAAR ÉÉN PLEZIERTJE:
TREITEREN ÈN PÈSTEN!? "Dóódslaan! Dóódslaan!" schreeuwde Nóàch met wànhoop in zijn stem.
ÌK voelde me als een kind dat een spin stuk voor stuk z'n pootjes uittrekt! 'Goed idee, vadertje!' zei ik. 'Híer is je stok! Veel succes!'
Híj riep om mijn broers, maar zij hielden zich oostindisch doof, want zíj waren stòm van verdriet en machteloze woede.
WÉKENLÀNG dòbberden wij rond en de verveling werkte op mij als een vergif dat koortsachtig door mijn aderen joeg.
Ik VERZÒN waarnemingen waarmee ik Nóàch nòg hàrder èn díeper ráken kon.
'Kíjk dáár nou toch, vadertje!' zei ik! 'Dáár komt 'n eiland aangedreven, gemaakt van bijeengesjord wrakhout en boomstronken. 't Is wel tien keer zo omvangrijk als de ark! En dit zal u verrassen, vader: het eiland is bewoond! Ach, wat een heerlijk gezicht. Zóvéél leven bíj elkaar!' NOACH gromde iets. 'Wàt zei u, vader?' "Wàt?" 'Hóe BEDÓELT u "wàt"?' "Wàt lééft daar?" 'O,' zei ik. 'Hèb ik u dat niet verteld? Dáár leven kinderen, vader. Eens even kijken. Tien, twintig, dertig, ik schat zo'n hònderd kìnderen.'
"DÀT KÀN NIET!" brulde Nóàch. "Ze zijn allemaal dood!" 'Neemt u me net kwalijk, vader,' fluisterde ik. 'Natuurlijk. U hebt gelijk. Ze zijn dood. Het zijn dode kinderen die net doen alsof ze leven.'
ÌK beleefde plezier aan de verschrikkelijke verwarring waaraan híj zìchtbaar blootstond!
Wàt móest hij híer zó nú van GELÓVEN en wàt níet?
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende