Hoe ligtlijk,
hoe rechtvaardiglijk zoude G d Tempel,
en stad, en feestvierders onder de steenreeten en puinhoopen hebben konnen bedelven?
Maar hy spaartze nog in zijn overgroote lankmoedigheid, om dat 'er nog een klein OVERBLIJFSEL,
naar de verkiezinge der genade, onder hen is, die geroepen en bekeert moeten worden;
en nu het steunsel zijn; tot dat G d de vastbeslotene verdelging zoud brengen over dat volk en land.
MIE-ZEH BA MEE'EDOM CHAMOETS BEGADIEM MIEBOTSRAH ZEH HADOER BIELEVOESJO TSO'EH BEROV KOCHO ANIE MEDABEER BIETSEDAKAH RAV LEHOSJIA?
{Yesjayahoe 63/64/65/66}
"Wie is het die uit Edom komt, uit Botsrah, in purper gekleed en machtig getooid, die zich groots en machtig verheft?"
Ik ben het die in gerechtigheid spreekt en bij machte is te redden!
'Hoe komen jouw kleren zo rood, als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?'
Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij.
Ik trad hen in mijn woede, vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren, al mij kleren werden besmeurd.
Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp, ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding, door mijn woede aangespoord.
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt, met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd.
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien.
Ik zal de liefde van de eeuwige gedenken en zijn roemrijke daden bezingen:
alles wat de eeuwige voor ons heeft gedaan,
de goedheid die hij het volk Yisraeel bewees in zijn ontferming en onbegrensde liefde.
Hij zei:
"Natuurlijk, het is mijn volk! Mijn kinderen zijn te vertrouwen!"
Daarom wilde hij hun redder zijn.
In al hun nood was ook hijzelf in nood:
zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid.
In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost,
hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door.
Maar zij zijn in opstand gekomen en hebben zijn heilige geest gekrenkt.
Daarom werd hij tot hun vijand en bond hij de strijd met hen aan.
Toen dacht hij aan de dagen van weleer, aan Mosjeh en zijn volk.
Waar is hij die zijn volk door de zee voerde, waar zijn de herders van zijn kudde?
Waar is hij die hen bezielde met zijn heilige geest?
Die Mosjeh ter zijde stond met zijn luisterrijke arm, die voor hen het water kliefde om zich een eeuwige naam te verwerven? Die hen door de diepte leidde als paarden door de woestijn, zonder dat ze struikelden, als vee dat afdaalt naar het dal?
Het was de geest van de eeuwige die hun rust gaf.
Ja, jij hebt jouw volk geleid om jezelf een luisterrijke naam te verwerven!
Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit jouw heilige, luisterrijke woning.
Waar zijn jouw strijdlust en jouw machtige daden?
Jij bent niet meer met mij begaan, jouw ontferming gaat aan mij voorbij.
Jij bent toch onze vader?
Avraham heeft ons niet gekend en Yisraeel zou ons niet herkennen, maar JIJ, eeuwige, bent onze vader,
van oudsher heet jij Onze beschermer! Waarom, eeuwige, liet jij ons afdwalen van jouw wegen? Waarom heb jij ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor jou hadden? Keer toch terug, omwille van jouw dienaren, van de stammen die jou toebehoren. Sinds kort hebben onze vijanden jouw heilig volk
in hun macht gekregen en jouw heiligdom vertrapt. Het is alsof jij nooit over ons hebt geheerst, alsof jouw
naam nooit over ons is uitgeroepen.
Scheurde jij
maar de hemel open
om af te dalen!
De bergen
zouden
voor jou
beven!