*
JOODSE
MYSTICI
gaan meestal
heel voorzichtig
te werk.
Doordrongen
van het onmiddellijke
ogenblik,
getuige van de weldaad
van vogelzang
en brood,
belichamen zij hun wijsheid
en onderwijzen zij via
hun levenswijze.
Ze trekken vaak rond,
reizen van stad naar stad
langs de stoffige wegen
van UR naar HARAN
of door de kronkelende valleien
van KANA'AN & EGYPTE,
en onderweg praten ze en verkopen
schoenveters
en
knopen ...
SOMMIGEN
zijn befaamd,
en zijn door de hemel gemachtigd
om complete bijeenkomsten aan boord
van de vleugel van een engel
te verzamelen
en te spreken voor de vurige troon van de
ONEINDIGE.
Weer
anderen,
hemelwaarts gedragen
door een eenvoudige melodie,
overladen de harde
en liefdeloze wereld met liefde:
ze zijn allen bescheiden,
licht;
ze fonkelen
& dansen,
en vertellen verhalen
met worden die
glinsteren
en
huilen ...
Hun
geloof
is zo oud als
Eden.
Hun gebeden
en overpeinzingen
zijn de kern van
de schepping.
Zonder angst,
en hongerig naar kennis bestijgen zij
de Levensboom en kijken ze waar
andere mensen
niet
durven.
Ze gaan om
met Avraham & de Hemelse Heer,
met vrekken en koningen;
ze vinden hen allemaal
even interessant.
Ze zijn
de inwoners van een grenzeloos land
die op pelgrimstocht zijn
door ontelbare
werelden.
Hun
moeder
is de Thora,
hun landkaart
de geboden.
De verbijsterende sferen
van licht van de kosmische boom
begeleiden hen
op hun weg.
"KOM TOCH KIJKEN!"
roepen de mystici tot de drukke voorbijganger
alsook naar de dromer,
en bevrijden degenen die hen volgen
uit de bekrompen kooi
van het zelf.
Elkaar treffend
in
minyaniem ['gebedgroepen']
van dennen en beuken bidden ze,
worden ze verliefd,
schreeuwen ze in stilte,
zegenen ze het gras,
en worden ze weer
als kinderen.
Ze noemen
zichzelf "Welpen"
en hun leider "Leeuw",
en staan om middernacht op
om op jacht te gaan
naar spirituele
voeding.
Ze spoken
als deswisjen en schriftgeleerden rond
in de met keien geplaveide straten van Spanje,
en neurien de Heilige
Naam.
Door zich in jute te kleden
en hun gezichten met as te besmeren
rouwen ze om de vernietigde vaten van goddelijk concentraat,
en hopen ze deze met hun tranen
te herstellen.
Ze praten
in raadsels,
talen en gelijkenissen:
'heilige onzin' ...
Ze dansen,
maken Koningin Sjabbath het hof,
lachen om zichzelf,
en worden soms geboren met
genezende gaven.
Ze sterven
vaak jong, te vroeg,
in verre oorden ...
Twee van hen,
een vader en zijn zoon,
zijn vluchtelingen;
zij zitten tot hun nek begraven
in het zand,
hun voorhoofden verschroeid
door de Nabije oosterse
zon.
Een wonder:
een bron en een johannesbroodboom
verschijnen,
en bieden schaduw en
verfrissing.
Een engel
vermomd als ezeldrijver komt langs
en voert met hen een spiritueel
gesprek ...
Een
zwervende Poolse prediker
zoekt de Meester van de Heilige Naam
en vindt een boerenpummel.
Als de prediker zich omkeert om te vertrekken,
spreekt de pummel.
De kamer vult zich
met verblindend licht,
de geleerde prediker is onder de indruk,
en een nakomelingschap wordt
geboren ...
Een trouwe schriftgeleerde
schrijft op een palmblad,
kriebelt bij kaarslicht in een geheim dagboek,
spitst zijn oren
om het gefluister van zijn leraars geestelijke gids
aan de overkant van de sjabbathtafel
te kunnen horen,
en geeft woorden,
formules,
letters,
verbindingen,
en waarschuwingen door
aan eenzame reizigers in het
mystieke
rijk ...
De traditie
wordt 'van mond tot oor'
overgedragen ...
Er is geen traditie ...
Er zijn geen handboeken ...
Er is alleen rechtstreeks contact,
directe ervaring ...
Er is geen leraar zonder gemeenschap ...
Er zijn zielen
die voorbestemd zijn om
elk ander
te ontmoeten ~ in
vrije wil en betrokkenheid,
en toegenegenheid en broederschap:
en hieruit vormt zich
het pad.




