ZOUDE G D OOK IETS DOEN, DAT HY DOOR ZIJNE PROFEETEN NIET HEBBE BEKEND GEMAAKT?
En wat zoude het Profeetisch woord zijn, indien het niet bewaarheid wierd?
Wat zoud mer 'er uit leren, wat bewijzen konnen?
Nu ziet men het toekomende daar in vertegenwoordigd, en wat ons te geloven staat.
Want in Mosjeh en de Profeeten legt de grondslag, en daar buiten heeft Yehosjoea en de Apostelschaar niet geleert, daar buiten mogen en moeten wy ook niet spreken.
De Jood ergert zich aan den kruisdood van JC en die is by de Profeeten een onfeilbaar kenteken
van den Messias, en de gewenschte verzoening.
De Heiden noemt de kruisgeheimen eene dwaasheid, maar hy weet niet,
dat zy den eenigen grond leggen, om voor g d te naderen en te konnen bestaan.
De Christenen, indien zy dezes naams waardig zijn, verachten, of houden de vervolging en verdrukking, waar door zy echter JC moeten gelijkvormig worden, voor blijken van de dwaalkerk of verlatinge g ds,
of steunen op eigene gerechtigheid, of vergapen zich aan uiterlijkheden, en roemen op een doek,
op een been, op een hout, op een nagel, op een kleed,
en wat het bygelovig brein meer heeft uitgevonden.
Waar van daan zo strijdige en ongerijmde gedachten uit verzuim van het profeetisch woord?
Doch hoe zouden zy het profeetisch woord lezen, die de gantsche H. Schrift niet mogen lezen?
Hoe zouden zy het profeetische woord verstaan, dien het een verzegeld boek is?
Hoe zouden zy den Christen-plicht kennen, die hunne eigene herssenvonden boven g ds woord stellen?
Wy niet alzo.
Laat ons g d danken, dat het licht van zijn woord weder op den kandelaar gesteld, en in 't midden van ons
zo straal- en troostrijk is.
WY HEBBEN 'T PROFEETISCH WOORD, EN DOEN WEL, VOLGENS HET GETUIGENIS VAN PETRUS, DAT WY DAAR OP ACHT GEVEN, ALS OP EEN HEUGLIJK LICHT, SCHIJNENDE IN EENE DUISTERE PLAATS.
Heerlijker dan oit de goude kandelaar in 't Heiligdom, dat buiten en boven die zeven lampen geen licht hadde. Maar laat ons g d niet alleen met de lippen danken voor zo heilzaam licht, dat is de minste dank-baarheid, en die kan gode niet behagen: laat ons met een dankbaar hart den Vader der lichten groot maken, en in zijn licht wandelen.
IN HEM IS DE FONTEINE DES LEVENS, EN IN ZIJN LICHT ZIEN WY HET LICHT.
Hier in word ons JC met alle zijne graveerselen levendig afgemaalt: hier in komt hy ons voor, als gestorven en begraven voor onze zonden.
Laat ons dan ook de zonden afsterven: den ouden mensch met alle zijne begeertens kruisigen, doden, begraven.
Heeft JC den vloek gedragen en weg gedragen,
laat ons tonen geen slaaven der zonden
meer te zijn; maar
EEN
met hem geworden te zijn?
Moeten wy voor hem lijden?
Denkt, wat hy voor ons geleden hebbe.
Moeten wy ten grave dalen?
Denkt Yesjoea heeft onze graven geheiligt, en is verrezen tot een onderpand van onze zalige opstanding.
Hoe volheerlijk zal 't zijn, als Yesjoe ten jongsten dage onze doode licchamen uit het stof zal doen opstaan, en zijn verheerlijkt licchaam gelijkvormig maken.
Als wy met hem,
als onz hoofd,
zullen vereenigt worden,
en dat zeeglied volvrolijk uitgalmen:
GY ZULT ONS HET PAD DES LEVENS BEKENT MAKEN:
VERZADINGE DER VREUGDEN
IS BY UW AANGEZICHTE;
LIEFLIJKHEDEN ZIJN IN
UWE RECHTERHAND
EEUWIGLIJK.
amen
