Als DAWIED de heilrijke zegepraalen van den grooten Koning Israela, over Satan, zonde, dood, en helle, met levendige verwen wil afmalen, voert hy eenen vreugde-rey in , die den grootmagtigen Overwinnaar volvrolijk toejuicht, en zingt: G D VAART OP MET GEJUIG, DE HEERE MET GEKLANK DER BAZUINE!
'T is waar, dat zommigen dit hebben t'huis-gebragt, op de plegtlijke invoering der bond-kist, in de Stad Dawieds; of naamaals in den Tempel SALOMONS. Maar schoon men toestond, dat die PSALM {47} by de gelegendheid gedicht zy, zal men echter bekennen moeten, dat 'er op andere, en laatere tijden gedoelt word, als G d een Koning der gantscher aarde, en 't gantsch Heidendom hem onderworpen is.
Hoe weinig dit met Dawieds tijden, en de huishoudinge des O.T. over een kome, ziet ieder.
De Jooden zelve erkennen ook daarom, dat het van den MESSIAS, en zijn rijks-bestier, moet verstaan worden.
Geen wonder, dat dan onze Overzetters, en wy met hen, een Zege-zang der Kerke begrijpen, over de gadelooze overwinning,
en hemelvaard van Koning YEHOSJOEA.
Zangkonstig word dit uitgewrocht, en in de VIJF eerste verzen, en tot op SELA, een VREUGDEN~REY ingevoert, die het wijd-uitgestrekt gebied van den Messias, volvrolijk uitgalmt, en alle VOLKEREN uitlokt, om dezen Koning der Koningen, met JUICHEND
HANDGEKLAP, en VREUGDE-ZANGEN te verheerlijken in vers TWEE.
Waar van deeze reden word gegeven, dat Vorst Messias zijn heil-gebied aanvaart, en over de gantsche aarde uitgebreid hebbe, om dat hy is de YAHWEH, en grootlijks te DUCHTEN, en VERHEVEN moet worden boven allen, en een grootmagtig KONING, die
over alles, en allen heerscht: en niet alleen over t Jooden~land, als ouds tijds, maar over de GANTSCHE AARDE, zijn rijk-staf zwait in vers DRIE.
Waar op een onfeilbaare verwachting werd gegrond, dat in weerwil aller vijanden, alle taalen, volkeren, en land-aart, Koning YESJOEA zich zullen onderwerpen, en onder de magt der Kerke gebragt werden, die hy in 't erf-bezit van de geheele wereld zoud stellen, en de heil-goederen, die YA'AKOV zijn toegezegt, gunstrijk aan zijn bond-volk uitdelen in vers VIER, VIJF.
Met zulk een groot vertoog van 't heil-rijk eindigt de EERSTE Vreugde-rey,
en besluit met SELA!
En
zo zie
je maar weer
eens overduidelijk de zin
van Stockholm achter de deur van Kopenhagen/Kyoto enzo:wat aanving als dromen over al die wonderbare scheppingen, zondvloeden, eerste & laatste mensen, planten & andere dieren
vond tientallen eeuwen lang weerklank over [bijna] de gehele aarde: die visioenen bleken de plank[en] der ARK niet zo heel veel
mis te slaan?! Verzin maar eens zo 123 'n betere symboliek die meer zegt & uitlegt dan al die mydibijbelverhaaltjes & 't vervolg!
KAL-HEAMIEM TIEKOE-CHAF, HARIOE LE'ELOHIEM BEKOL RINAH!
KLAP IN JE HANDEN O VOLKEN, JUICH G D TOE MET JUBELZANG:
geducht is de EEUWIGE, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde!
Volken dwong hij voor ons op de knieen, naties legde hij aan onze voeten!
Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Ya'akov, het volk dat hij liefheeft!
sela
Onder gejuich steeg g d omhoog, de eeuwige steeg op bij hoorngeschal!
Zing voor g d, zing een lied, zing voor onze koning, zing hem een lied:
G d is koning van heel de aarde.
Zing een feestelijk lied!
G d heerst als koning over de volken,
G d zetelt op zijn heilige troon.
De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Avrahams G d!
Zijn schildwachten zijn ze op aarde.
Hoog is hij verheven.
