In zekere zin
zijn we allemaal slachtoffer,
dader en bevrijder van ons eigen verleden,
heden en toekomst in elkaar.
Ellende hou je nu
niet meer stiekum voor je
maar je schrijft 't op en maakt er zo van wat je er maar
van maken kan
...
Intussen zijn er zoveel gelijksoortige
misery-memoirs verschenen all over the world
dat 't genre je tegenwoordig bijna
nog nauwelijks meer raakt?
Maar lang niet altijd:
sommige verslagen zijn zo anders,
dat hun verslag van het getob met bijvoorbeeld wispelturige,
labiele, alcoholistische en bezitterige ouders je nog wel aangrijpt,
en je ook nog erom laat lachen en huilen:
mensen zijn als het ware
bij wijze van spreken,
vertellen, schrijven en herformuleren,
verslaafd aan schokkende indrukken en ontroerende
sensaties
...
Zo'n
honderd jaar geleden
kon je nog oprecht beweren
dat alle gelukkige gezinnen op elkaar lijken en dat
elk ongelukkig gezin ongelukkig is op zijn eigen wijze.
Maar al weldra stak men er de draak mee, zodat 't
tegenwoordig wel lijkt of helemaal het omgekeerde waar is:
als er iets gelijkvormig is,
dan is dat wel ons
ongeluk.
't Huidige gebod
dat misere publiekelijk opgebiecht moet worden,
bewijst dat nu dan ook telkens weer.
Of die mydi~
ellendeverhalen nu via de televisie,
op computerblogs of in boeken worden verteld,
er ligt meestal al een aantal stramienen klaar:
hoe ik in mijn jeugd in een disfunctioneel gezin doorbracht
en toch nog 'n min of meer verstandige
volwassene werd;
hoe ik mijn verslaving of ziekte overwon;
hoe ik het verlies van een geliefde {ouder, kind, partner} verwerkte
en nu niet langer meer op m'n tenen hoef te lopen;
hoe ik reageerde op bepaalde gebeurtenissen en ervaringen
en hoe die mijn leven gingen
verrijken en totaal
veranderen.
Dat alles
levert een merkwaardige paradox op:
de vertellers denken hun diepste zieleroerselen prijs te geven,
maar zijn vaak heel onpersoonlijk.
Ze verwoorden hun leed
met de voorhanden zijnde psychologische en culturele cliches
waardoor het inwisselbaar wordt.
Iets dergelijks
kun je ook wel constateren
bij seks- en contactprogramma's op de kommersjele sensatiezenders van socalled reality programs.
En dat zorgt voor nog meer vreemde paradoxen, tegenstrijdigheden
en soms zelfs walg~
neigingen
...
Hoe 'onpersoonlijker'
het ongeluk wordt opgedist met stereotieke stemmetjes,
gebaren en bewegingen, des te eerder je last krijgt van gene,
vervangende schaamte en feelings of disgust & irritation,
van het o zo trieste en vervelende gevoel
dat je dit eigenlijk helemaal
niet wilt weten!
Maar sommige
vertellers en schrijvers
beantwoorden niet alleen maar aan die cliches,
maar breken er ook mee?
In "Het leven nadien"
van Donald Antrim gaat het autobiografische mydiverhaal
over een jeugd die is getekend door een zeer wispelturige,
ruziezoekende, egomane
moeder
...
Zij is alcoholist,
raakt van de drank af na de nodige AA-sessies,
wordt ziek en geneest niet.
Het leven nadien
begint met haar dood en eindigt ermee, tussendoor
wordt de ontwrichte familiegeschiedenis
verteld
...
Kortom,
bijna alle ingredienten
van de zogenoemde misery memoir zijn hierin aanwezig
[bijna net als in myDi waar je ook van alles en nog wat kunt aantreffen in de gekste, vreemdste en verrasssendste combinaties en wendingen
van allerlei diverse malle oorzaken
en gevolgen?]!
DA's psychologische inzichten
onttrekken zich dan ook lang niet altijd aan de banaliteit van de algemene ervaring.
Bijvoorbeeld als hij de dubbele gevoelens beschrijft die zijn dronken moeder bij hem oproept:
"Ik had de typische, onmogelijke taak toebedeeld gekregen hetzelfde te zijn als alle andere mannen maar dan anders ~ meer in het bijzonder hetzelfde als en toch anders dan haar vader en haar trouweloze, in de ban gedane ex~echtgenoot, mijn vader.
Wat dit betekent? [...]
Ik mocht haar, denk ik, nooit verlaten voor een andere vrouw."
En soms
ontkom je zelfs niet
aan het gevoel van gene.
Zoals wanneer DA beschrijft hoe hij als zeer volwassen man in foetushouding
op het vloerkleed van de eetkamer ligt te huilen,
omdat zijn van alcoholisme herstellende moeder met hem wil praten,
maar tegelijk van geen kritiek wil horen.
"Alles waar jij over wilt praten is verleden tijd",
zegt ze tegen hem,
terwijl ze zich met haar eveneens van alcoholisme herstellende vriend
terugtrekt in haar slaapkamer en af en toe door de deuroening gluurt
hoe hij ervoor staat.
Hij vraagt zich dan af:
"Waren ze bang voor besmetting?
Besmetting met het Verleden?"
Behalve erg
genant is de scene natuurlijk ook volkomen hilarisch.
En ironisch, want met het verleden is immers bijna iedereen besmet,
en hoe treuriger het is, hoe moeilijker het dan ook vaak is
om die besmetting ooit nog
ongedaan te maken.
Het probleem met een getroubleerde jeugd
is dat het verdriet van weleer nu steeds ook weer naar het oppervlak komt,
als was het een kurk die zich niet meer onder water laat duwen.
Ook de beste autobiografische boeken moeten,
om het zo maar te noemen, 'door het cliche heen'?
En Donald Antrim presenteert zichzelf als het slachtoffer van zijn kindertijd, hij is nog steeds boos,
bitter en toch ook op hetzelfde moment vergoelijkend & beschermend als het om zijn moeder gaat.
Maar hij kan ook met 'n komische distantie naar zichzelf en zijn familie kijken.
En hij is niet voor niets door de New Yorker tot EEN van de schrijvers bestempeld
van wie we in deze 21ste eeuw nog veel gaan horen?!
Hij kan geweldig goed schrijven.
In de drie romans, die hij VOOR zijn autobiografie publiceerde,
heeft DA zich al een fijnzinnige literaire schrijver betoond,
die met soepel gemak van perspectief kan verwisselen en de verhaallijn
met uitgebreide terwijdes kan doorbreken.
In "Het leven nadien"
is hij helemaal meester in het boeiend & interessant verrassend meanderen.
Hij kan kaal & onversneden uiteenzetten welke invloed zijn moeder op hem heeft gehad,
en met een vloeiende beweging overgaan in het vertellen van 'n vet uitgesponnen anekdote.
Het vast stramien van de grote ellendegeschiedenis verdwijnt naar de achtergrond
door het snoer van petits histoires dat hij ook
aan elkaar slaagt te rijgen.
Zo begint hij zijn boek met de felle beschrijving van de dood en aftakeling van zijn moeder,
om al na een paar pagina's iets heel anders aan te snijden: het kopen van een bed. En niet 'zomaar' een bed, maar het allerbeste bed en matras die je kunt krijgen. Hij gaat dan ook beddenzaak in en uit, sleept zijn vrienden mee naar showrooms, en koopt uiteindelijk als 'romanschrijver met verkoopcijfers
op literair niveau' een matras van zevenduizend dollar.
Via het idiote mydiverhaal over de obsessie voor een bed komt hij dan toch weer bij zijn moeder terecht,
Hij kan er niet op slapen, het is alsof het bed leeft:
"Het was doortrokken van mijn moeder.
Ik zonk op het bed neer en het was alsof ik in haar armen zonk. Ze zat niet meer naast me op het bed: ze zat in het bed, en ik zat in het bed; en ze trok me verder het bed in
om samen met haar te sterven."
Je kunt je wel
even laten optillen door DA's geestigheid,
maar je komt altijd weer met een smak op de grond terecht.
"Het leven nadien" is daardoor dan ook een boek dat je door elkaar schudt,
ook nog lang nadat je het
uit hebt.
@