Wat
zijn meestal
de kenmerken van
mensen? We bewegen ons
binnen 'n bepaalde taal, cultuur, buurt,
dorp, stad, land, religie, politiek, lichamelijk/geestelijk
'evenwicht', familie, stand/klasse, opvoeding, 'n studie/werkkring,
intelligentie/schoonheid, nieuwsgierigheid, geschiedenis,
heden & eventuele toekomstverwachting.
Taalvaardigheid & cultuurbesef
kunnen zeer uiteenlopen afhankelijk van de locale/autoch/allochtone en
binnen/buitenlandse connecties, net als godsdienst & politieke aspiraties,
fysieke/mentale gezondheid, kennis van onze voorgeschiedenis te land, ter zee & i/d lucht,
't nieuws v/d dag & wat we wel/niet willen!
In die zin kan 't ook best wel verhelderend werken
als we zo nu & dan stil blijven staan bij Mat Gargon &
zijn opinies over zo'n twee- drieduizend jaar geleden: hij was een kind van zijn tijd 300 jaar geleden
die bepaalde joods/christelijke visies aanhing. Hij heeft 't wel over Yehosjoea & de profeten
& psalmen maar je hoort hem niet over slavernij in zijn eigen tijd,
de verre gevaarlijke handelsreizen, 't ontwikkelend kolonialisme,
de diverse stadhouders
& 'eigen 't volk'.
Vind iemant vremd,
dat de groote Raad
met deze krijgsknechten in onderhandeling trede,
& dat Mat[-theus] daar van kennisse gekregen hebbe,
die overpeinze,
van wat aanbelang
dit geval
geweest zy!
WANT
HET GERUCHT
VAN YEHOSJOEA'S OPSTANDING
MOEST VERDUISTERT WORDEN, OF
DE STOEL VAN MOSJEH, WAAR DE RAADSHEEREN ZATEN,
MOEST TE GRONDE GAAN. IS HET WONDER,
DAT ZE VOOR ZIJN
HOOGGEZACH STRIJDEN, & ALLES DOEN,
OM HET HEILRIJK TE STUITEN?
IN ZULK EEN VOORNEMEN
KONDE HEN NIEMANT BETEREN DIENST DOEN, ALS DE WACHT,
DIE BY 'T GRAF GEWEEST, EN DOOR GELD LIGTLIJK
TE KOPEN WAS. OOK BESTOND HET GROOTSTE
GEDEELTE DES RAADS UIT DE G D- EN GEEST-
LOCHENENDE SADDUCEEN [TSADDOEKIEM],
DIEN HET EVEN VEEL WAS, OF ZY LOGEN,
& BEDROGEN, & SLIMMER KONDEN
DE HEIDENEN NIET ZIJN,
ALS ZULKE JOODEN!
DAT OOK TEN TIJDE
VAN YESJOEA [JC] ZULKE RICHTERS OP
DEN STOEL VAN MOSJEH ZOUDEN ZITTEN,
HAD DAVID, ZO VEELE EEUWEN TE VOOREN,
VOORSPELT [PS 82]:
"Doet recht den armen,
& den weeze, rechtvaardigt den verdrukten
-
zy weten niet, noch verstaan niet,
zy wandelen steeds in duisternisse,
dies wankelen alle fondamenten der aarde,
of liever
des lands!"
ELOHIEM
NIETSAV BA'ADAT-EEL AD-MATAI TIESJPETOE-AWEL OEFNEI RESJAIEM TIESOE-
SELAH
G d staat
op in de hemelse raad, hij spreekt recht in de kring
van de goden:
"Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen?"
DOE RECHT AAN WEERLOZEN EN WEZEN, KOM OP VOOR VERDRUKTEN EN ZWAKKEN,
BEVRIJD WIE WEERLOOS ZIJN EN ARM, RED HEN UIT DE GREEP VAN WIE KWAAD WIL!
U TOONT GEEN INZICHT, GEEN BEGRIP, EN DOOLT IN DUISTERNIS ROND, DE AARDE WANKELT OP HAAR GRONDVESTEN. OOIT HEB IK GEZEGD:
"GIJ ZIJT GODEN, ZONEN VAN DE ALLERHOOGSTE, ALLEMAAL!"
TOCH ZULLEN JULLIE STERVEN ALS MENSEN, TEN VAL KOMEN ALS AARDSE VORSTEN!
Verhef je, G d, spreek recht op aarde, alle volken behoren jou toe!
Dat dit op den Mosjiach zie,
konnen de JOODEN niet lochenen,
die ten tijde van JC niet wisten te beantwoorden,
hoe de Masjiach te gelijk een Heer, en een Zoon van David moest zijn.
En wat is de SCHEPTER van dien grooten Koning, dan zijn WOORD en GEEST,
waar mede hy voorspoedig zoud in zijne HEERLIJKHEID inrijden?
Gelijk de H.Speelgenooten van dien bloedbruidegom
hem juichende toeroepen:
"Rijd voorspoedig in uwe heerlijkheid op het woord der waarheid,
en regtvaardige zachtmoedigheid!"
PS 45
RACHASJ LIEBIE DAVAR TOV OMEER ANIE MA'ASAI LEMELECH LESJONIE EET SOFEER MAHIER
In mijn hart wellen de juiste woorden op, mijn gedicht spreek ik uit voor de koning,
mijn tong is de stift van een vaardige schrijver.
JIJ BENT DE MOOISTE VAN ALLE MENSEN
EN LIEFLIJKHEID VLOEIT VAN JOUW LIPPEN
~
G D HEEFT JOU VOOR ALTIJD GEZEGEND!
Gord jouw zwaard aan de heup, o held, het teken
van jouw majesteit & glorie!
Treed op in jouw glorie & begin de strijd voor waarheid, deemoed & recht!
Laat jouw hand
geduchte daden verrichten.
Jouw pijlen zijn gescherpt en treffen de vijanden van de koning in het hart:
volken vallen dood voor jou neer!
Jouw troon is voor eeuwig en altijd,
o g d, de scepter van het recht is jouw koningscepter,
jij hebt gerechtigheid lief
& haat 't
kwaad!
Daarom
heeft G d,
jouw G d, jou
gezalfd met vreugdeolie {!},
als geen van je gelijken. Jouw gewaden
geuren naar mirre, aloee en kaneel, muziek die jou verblijdt,
klinkt uit ivoren paleizen, juwelen sieren
de dochters van koningen, rechts
van jou staat de koningin,
getooid met goud
uit Ofier!
Luister,
dochter, zie
en hoor, vergeet je volk
en het huis van
jouw vader!
Begeert
de koning
jouw schoonheid,
buig voor hem,
hij is jouw
heer!
Dochter
van Tsor,
met geschenken
zoeken de rijksten
van het volk
jouw gunst!
Stralend
wacht de koningsdochter
binnen, van goudbrokaat is haar mantel!
Een kleurige stoet brengt haar naar de koning,
in haar gevolg de
meisjes, haar
vriendinnen.
Zij
worden naar
hem toe gebracht,
begeleid door gejuich en
vreugdezang gaan zij het paleis van de koning
binnen. Jouw zonen volgen je
voorouders op, jij laat
hen heersen over
heel het
land!
Ik
zal jouw
naam bezingen, geslacht
na geslacht: alle volken
zullen jou prijzen,
eeuwig en
altijd!



