~*~
IN
het Esterverhaal
vindt er dus verschillende malen
een belangrijke omkering plaats.
Eigenlijk is
DIT
het thema van
ALLE
myDiVerhalen:
de ommekeer
...
In feite zit Het Thema al in de 'naam'
[in den beginne: de 'geest']
van 'g d':
"YHWH" ~
IK
was
&
BEN
wordende
...
ZO
neemt Mordekai uiteindelijk
de plaats in die Haman had en treft Haman het lot
dat hij bestemd had
voor Mordekai!
Adam & Chava
'geschapen naar g ds beeld & gelijkenis'
vergeten voor een tijdje
hun 'opdracht' om te verwoorden wat ze tegenkomen
en denken goddelijk
en 'almachtig' te worden onder de invloed
van psychedelicatessen?
De ENE broer Kain
slaat de Andere Chavel dood uit jaloezie of 'belang':
de boer geeft de herder een pak
slaag ...
Yochanan de Doper
voert zijn dope uit ter bekering tot de voorbereiding
van het rijk g ds &
wordt onthoofd door
Herodes ...
Yehosjoea 'de Masjiach'
kondigt het 'rijk der hemelen' aan
volgens de bergrede
en wordt wreed vermoord door de collaborerende
hogepriester
en de op winst beluste Romeinse
landvoogd ...
Sja'oel [PAUL] verwacht
het 'einde der tijden', volgt in het voetspoor
van zijn voorgangers,
en probeert zijn joodse schriftgeleerdheid
en het 'heil voor heidenen',
in het Grieks met elkaar te verzoenen en vormt
al 'wachtend'
via 1 KOR 13 [de liefde is ...] zijn kernleer:
"There is neither Jew nor Greek,
there is neither slave nor free,
there is no male and female [anymore],
for ye are all ONE in
Christ Jesus!"
AL
die mydiverhalen
tussen Avraham uit Ur,
Yitschak & Ya'akov, Yosef in Egypte, Mosje's 'exodus'
in de jaren van
Thera/Saraotini, de Filistijnen/Palestijnen,
Yosjoea en de 'intocht' ...
hebben 'omkeer'/'bekering' als
hoofdthema ...
De Esterbrontekst [9:4]
gebruikt met betrekking tot Mordekai een woord dat eerder,
in 3:1,
met betrekking tot Haman was gebruikt.
Vergelijk maar:
"Want Mordekai was
groot in het huis van de koning",
met:
"Na deze gebeurtenissen maakte koning Ahasveros
groot [in aanzien]
Haman" ...
Door over Mordekai
precies hetzelfde te zeggen als wat hij eerder
over H-man [Hitler/Hussein e.d.] had gezegd,
benadrukt de Hebreeuwse auteur dat de rollen volledig
OMGEDRAAID zijn en maakt hij de mydilezer
elk jaar weer opmerkzaam op het verband tussen 3:1 & 9:4:
bij het lezen van het laatstgenoemde beschreven vers
moet de mydilezer
zich het eerstgenoemde
herinneren ...
M.a.w.:
Het myDiThema van Al Die BijbelVerhalen
tussen GEN & APOKALYPS
is VERANDERING?!
In de nieuwe vertaling
is ook geprobeerd om de omkering
even sterk te accentueren als in de brontekst
en de moderne mydilezer evenzeer behulpzaam te zijn
bij het ontdekken van het verband tussen de twee
genoemde verzen.
DAAROM
[op aarde] is ook hier in beide verzen gebruikgemaakt
van dezelfde woorden
waar in 3:1 de koning {G D}
een hoge positie geeft aan Haman
en in
9:4 aan Mordekai
een hoge positie in het paleis [het rijk g ds
op aarde].
DE OMMEKEER
in het lot van het joodse volk [als symbool voor de mensheid]
komt onder andere tot uitdrukking in de perikoopopschriften
van 3:1-15 & 8:3-17:
respectievelijk
Bevelschrift tegen de Joden &Bevelschrift ten gunste van de Joden.
Deze opschriften
van thema's contrasteren met elkaar EN
vertonen tegelijkertijd
parallellie!
EEN
ironisch mydiverhaalelement in
Ester is,
dat H-man aan de paal gehangen wordt
die hij heeft laten klaarzetten voor Mordekai
die niet voor hem wou
buigen.
De eunuch
die voorstelt om Hman aan deze paal te hangen,
zegt in 7:9:
"OOK/bovendien - zie, de paal die Hman gemaakt heeft
voor Mordekai {...} staat in het huis van Hman,
50 el hoog!"
De ironie van de gebeurtenissen is bepalend geweest
voor de formulering
die dit voorstel in de nieuwe vertaling heeft gekregen:
het is hier in de vorm van een ironische, retorische vraag gegoten:
"STAAT er bij Hamans eigen huis niet al een paal van vijftig el hoog,
die Haman heeft neergezet
voor Mordekai {...}?"
Een ander mydivers
dat ironisch kan worden gelezen, is 5:4.
ESTER verzoekt de koning om samen met Hman
te komen deelnemen aan een feestelijke maaltijd
die ze voor 'hem' heeft
verzorgd.
WIE
wordt bedoeld
met 'hem'?
De koning of Hman?
Grammaticaal gezien ligt het
het meest voor de hand dat het voornaamwoord in de Hebreeuwse brontekst naar de koning verwijst [de 'wijsheid' stuurt de 'macht'?],
maar het is helemaal niet onmogelijk dat de mydiauteur hier
met OPZET een woord gekozen heeft waarmee je
TWEE KANTEN [IK stel u voor de keuze
'ten goede of ten kwade']
op kunt!
Wellicht
laat hij Ester hier
'verhuld' [besnijdenis van penis of hart] iets zeggen
dat pas later duidelijk zal worden:
Hman is degene voor wie ze het feestmaal eigenlijk heeft verzorgd,
het is een 'feestmaal' dat tot zijn ondergang
moet leiden.
DE MOGELIJKHEID
om Esters woorden te interpreteren
als een subtiele ironische opmerking, mag de mydibijbellezer
niet onthouden worden omdat die net zo centraal staat al het thema
van de omkering/ommekeer/bekering/verandering via
'menswording' ...
DAAROM
is in de vertaling het dubbelzinnige
hem behouden!
Een
even
belangrijk
mydiverhaalmotief
[net als 'verwoording',
'bekering', 'inkeer' & 'wording']
is dus vanzelfsprekend ook Mordekais 'jood-zijn'
en de verbondenheid die hij voelt met zijn volk,
het 'joodse'
volk?
HET
belang van dit motief
is op verschillende plaatsen bepalend geweest voor de vertaling.
Allereerst in 2:5, dat in de werkvertaling als volgt luidt:
"Een Joodse man was er in de citadel van Susan
en zijn naam was
Mordekai {...}."
In de
Hebreeuwse brontekst
staan de woorden 'een joodse man' niet voor niets voorop:
ze moeten nadruk
krijgen.
Om
DIE nadruk
OOK in de vertaling te verkrijgen,
is in de NV gekozen voor "NU woonde er in de burcht van Susan
een zekere Mordekai,
een Jood".
Met het
woordje
NUwordt het nieuwe personage geintroduceerd
en wordt de lezer oplettend gemaakt,
terwijl de bijstelling
een Jood,
aan het slot van de zin,
Mordekais jood-zijn
benadrukt.
Aan het eind van dit mydiboek, 10:3,
wordt zijn jood-zijn opnieuw [evenals in de brontekst]
door middel van een bijstelling benadrukt:
"Mordekai, de Jood, volgde in rang immers onmiddellijk
op koning Ahasveros".
ZO
wordt Mordekai in de passage waarin hij wordt geintroduceerd
EN in de afsluitende passage duidelijk als jood
gepresenteerd!
DE
gevoelige
eigenwijze eikel
die verstopt zit onder
de voorhuid en ons hart dat
vooral besneden MOET/kan/zal/mag worden:
de ware betekenis ligt
in de interpretatie
van de woorden van
al onze mydiverhalen
en de gevoelige clitoris ligt dus ook
niet voor niets
omsloten
door de schaamlippen van
ons
verstand?


















~@~
