EEUW NA CHRISTOS/CE, O.A. OOK LANGS DE NOORDZEEKUSTEN, TER HOOGTE VAN DE HUIDIGE GRENS TUSSEN BELGIË ÈN NL:
één
v/d commandanten
was Plinius de Oudere
{zie o.a. bv. ook Vesuvio/Pompeï/Ercolano/Herculanum/Irminloo},
die zich zó naderhand nog herinnerde wàt hij gezien hàd toen hij zijn beroemde NATURALIS HISTORIA schreef?!
Er waren uitgestrekte schorren èn hij zag nèrgens bómen: hij kòn níet vàststellen òf hij zich òp 't Lànd òf òp de Zéé bevond of wat er nu verder nòg of niet meer vóór hem lag verborgen; de huizen leken allemaal gebouwd op heuveltjes, èn Híj vònd dàt ze erúitzagen als de schepen òp & ìn 't Water, òf mísschien eerder nog als 'scheepswrakken'! Híj dàcht dat de huizen zó gebouwd werden
òm ze tégen de èrgste getijdebewégingen te beschermen.
Deze oude
Romeinse jonge landrot
die gewènd wàs òm haast altijd vàste bódem onder zijn vóeten te hebben, LÍJKT dan ook al bijna nerveus ìn dìt vreemde moeraslandschap?! Nú keek hij úit op een landschap van schuivende klei, doorsneden van kreken en geulen waardoor de jaar-
getijden het zoute water aan- & afvoerden!? 't Léék àlsòf Híj Hèt Ríjk verlaten had, want déze kùst was VÀN het vàste Lànd gescheiden door talloze grotere & kleinere lagunes & zoute veengrondgebieden, een grens die niet mìnder adequaat was dan de bòssen die
mensen van elkaar gescheiden hielden, effectiever óók dan om het èven wèlke rivier! Òm al die schorren, wadden, terpen &
wierden te kunnen bereiken, èn díe wátermensen die er wóónden, MÓEST je die moerassen kènnen: èn je MÓEST er
wèlkom zijn, want je werd daar vast èn zeker opgemerkt! PLINIUS DACHT NÁ OVER DE 'wátermensen'
en Híj kwam tot de conclusie dàt het níet de moeite loonde òm 't gebied te veroveren?! VÌS,
zo schreef hij, was het enige wat ze hàdden!? Nog amper 7 eeuwen later
waren die meningen al niet veel anders ...
Radboud,
de bisschop van Utrecht,
moest weinig hebben van de Friezen,
het Vòlk dat overal op deze schorren leefde & blijkbaar boven-
dien woonde: Híj schreef dat ze als vissen in het water leefden en vrijwel uitsluitend per boot reisden om verder te leven;
óók waren ze heel erg gròf, barbaars èn àfstàndelijk: ZOMPIGE PROVINCIALEN! Tòch vonden ook de Friezen i/d periode
tussen de totstandkomingen VÀN deze twee uiteenlopende geschriften nú àlle verbindingen over de Noordzee ÒPNÍEUW
uit, helemaal tot aan Jutland i/h bovenste puntje van Denemarken,
èn nòg vèrder!
Zíj stichtten
'n NIEUW SÓÓRT steden áán de kùst,
en díe blóeiden òp terwijl de Óude corrupte halfvergane Romeinse steden
steeds meer in verval raakten? Zíj vergaarden hùn Kapitaal o/d Westoever v/d Rijn in Dorestad,
alwaar de rivier zich opsplitste om er een delta te gaan blijven vormen: díe stàd zou dé SPÌL,
hèt centrále Pùnt worden v/d
noordelijke handel.