IS
WAT DE
MENS VAN HET
DIER ONDERSCHEIDT:
"LÁÁT NÍET ÀF,
VERWÉZENLIJK JOUW WÈRK
ÈN SPÉÉL DÍE RÒL VAN GÓED MÈNS",
benadrukt Seneca [LAS,
De beneficiis]
HÍJ
brengt hiermee
een nog ongekende verinnerlijking
van het begrip persoon tot uitdrukking:
'n 'goed mens' is 'n morele keuze,
de vrijheid
om meester van jezelf te worden,
ook al ben je dan
misschien wel 'slaaf van het lot',
ongeacht wàt dàt lòt ìs &
of men een bediende
of 'n keizer is.
OP DÍE MANIER
IS NIET EENS ZOZEER DIE RÒL BELANGRIJK,
ALS WEL DE MANIER WAAROP MEN
DIE ROL SPEELT ÈN ~
afhànkelijk
van ieders bekwaamheden
'omdat we heel verschillend zijn van lichaam
(sommigen blinken uit door hun snelheid bij het hardlopen,
anderen door hun kracht bij het worstelen; & uiterlijk stralen
sommigen nu eenmaal waardigheid, andere charme uit) ~
is er 'n nòg grotere verscheidenheid
in de zielen'!,
legt de Romein Cicero uit
[MTC, De officiis!
Zó verschijnt
de notie v/d tweede rol, of de tweede persoon,
die uniek is aan ieder individu:
DE MENS DÍEP ÌN ZÌCHZÈLF!
'Àls je móói wilt zijn, jongeman,
streef dan naar volmaaktheid
die eigen is aan de mens,'
zegt Epictetus
[Diatribai,
3, 1, 7]!
ZICHZÈLF VERWEZENLIJKEN
EN VOLLEDIG MENS WORDEN
VEREIST DUS WERKEN AAN JEZELF, ÒNGEACHT DE ÚITERLIJKE
SOCIALE ROL DIE AAN IEDER IS TOEGEVALLEN EN DIE IEDER DIENT TE SPELEN
VOOR HET WELZIJN VAN DE STADSTAAT DIE OMNIPRESENT
BLÍJFT AAN DE HORIZON V/D STOÏCIJNEN,
ZOWEL ALS AAN DIE VAN ALLE
GRIEKS-ROMEINSE
FILOSOFEN.