Zeg,
ken jij
die moslimman &
~vrouw met al die ~kinderen
uit Scheveningen?
De Unie van Utrecht,
gesloten op 23 januari 1579,
was naar haar bedoeling geen grondwet,
maar werd gesloten als een verdrag tussen een aantal provincies,
om als eenheid naar buiten te treden.
Door de ontwikkelingen die volgden,
en de afscheiding van de provincies van Spanje,
werd de tekst echter EEN van de fundamentele teksten aan de hand waarvan de Republiek
der Zandloopprovincies in de zestiende en zeventiende eeuw staatkundig werd vormgegeven
tot op deze mydidag van vandaag: artikel 13 van de Unie
is hier van bijzonder belang.
Het regelt in eerste instantie
de vrijheid van de provincies om voortaan hun eigen beleid vorm te geven
op het gebied van religie, maar kent hieraan een belangrijke beperking toe:
iedereen zal in zijn religie vrij mpgen blijven en niemand mag vanwege z'n religie worden vervolgd
of ondervraagd. Deze beperking op de bevoegdheden van de provincies, de vrijheid van godsdienst
in de prive-sfeer en het verbod op inquisitie is 'n eerste, embryonale vorm
van een grondrecht,
Het zal later bekend komen te staan
als de vrijheid van geweten, & is 't moedergrondrecht
van de vrijheid van godsdienst
zoals die vandaag
is gerealiseerd,
Maar het verdrag
van de Unie van Utrecht kent ook
duidelijke beperkingen.
Zo waren er artikelen
die regelden dat nonnen en monniken ten laste bleven
van de kloostergemeen-schappen ook wanneer
ze zich bekeerd hadden en waren uitgetreden,
uitgesproken antikatholiek.
Het katholieke geloof
werd in de Republiek der Zandloopprovincies
uit het openbare leven geweerd.
Hoewel de Republiek
relatief liberaal was in vergelijking met omringende landen, was het niet nogelijk
om hoge posten te bekleden wanneer men niet
de hervormde geloofsleer aanhing.
Vrijheid van godsdienst
was hiermee vooral een minimaal afweerrecht:
het hield een verbod in voor de staat om inquisitie te voeren alsmede een recht
op huiselijke godsdienstoefening
De tweede mijlpaal
is de Bataafse Republiek {1795}.
Met de Bataafse staatsregeling
werd de scheiding van kerk en staat
grondwettelijk vastgelegd.
Naast de bescherming
van de individuele geloofsvrijheid wer ook de eredienst,
het belijden in het openbaar en de vrijheid van organisatie van de godsdienst
voor een ieder gewaarborgd.
Toch bleef ook deze godsdienstvrijheid
nog beperkt: de seculiere levensovertuiging
werd niet op gelijke voet gesteld met een godsdienst. In de praktijk
had de koning veel invloed op de kerkorde, via het opstellen van een reglement
en het recht van placet, dat is het goedkeuringsrecht
op pauselijke en bisschoppelijke besluiten
en verondeningen.
Ook
kwamen strafrechtelijke vervolgingen
van godsdienstige bijeenkomsten
nog met enige regelmaat
voor.
Bescherming
van de godsdienstvrijheid
gold alleen maar voor bestaande godsdiensten.
Zo werd in 1817 de groep van de Stevenisten verboden,
met als argument dat de groep in 1815,
bij het aanvaarden van de grondwet,
nog niet bekend was.
Vrijheid van godsdienst
was dus meer dan een minimaal afweerrecht,
maar slechts voor een beperkt aantal godsdiensten
bood die grondwet ook werkelijk
deze bescherming.
