Als
we het
dus telkens weer
onder andere hebben over
"YHWH/profeten/Yehosjoea haNatsri haMasjiach"
& dergelijke, dan hebben we het in feite over alle mensen
van alle tijden en landen met hun eigenaardigheden
aan overeenkomsten & verschillen:
Mordechai & Esther, Adam & Eva, Yesjoea & Miryam,
hun voorgangers & nakomelingen
vol hoogmoed, trots, zelfzucht, botheid, achterlijkheid,
domheid &
ook
liefde, geduld
& leven ~ we
hebben 't dus telkens weer
over de mensheid als geheel
op
EEN aarde
in
EEN
wereld samen.
Dat
het de
woorden van den
Masjiach, den Opperheer der Schaapen,
die op hem wachtten, zijn moeten,
blijkt uit den t' zamenhang:
waar in de reden van de verwerpinge der Jooden, & verwoestinge van Tempel
en Yeroesjalayiem gegeven word, en gestelt in de verwerpinge van den Messias,
die hier over klagende, word ingevoert.
Hoe zeer de [andere] Jooden hem verachten zouden,
toont hy in d'aangetogene woorden.
Ik hadde tot hen lieden,
tot de Joodsche Overheden, gezegt,
door Judas, dien ik magt gegeven, en toegelaten had,
nadien ik recht had, mijn leven af te leggen, en weder aan te nemen, brengt mijnen loon,
zegt, wat gy geven wilt, en zy, de Joodsche Overheden in onderhandeling met Judas getreden,
hebben mijnen loon gewogen, toeglegt en gegeven, dertig zilverlingen, of Sikkelen [sjekel]!
Een heerlijke prijs, voegt 'er de Messias spotsgewijze by, die ik waardig ben geacht,
als of ik een slaaf, en de geringste der
menschen ware.
Dat
ook een
van de Twaalven
Christus zoude verraden, had
David uitdruklijk voorzegt, als hy den Messias dus invoert:
zelfs de man mijns vredes, mijn heil- & vrede-gezant, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at,
die aan mijne tafel zat, & van my leefde, heeft de verssenen grootdeels tegen my verheven,
als een addergebroedsel, in en door wien het zaad der vrouwe,
in de verssenen zoud gesteken worden.
Het is dan zo verre van daar,
dat ons de verraderije van Judas aan 's Heilands Messias-
schap zoud doen twijfelen, dat wy in tegendeel daar uit besluiten moeten, dat hy de waare Messias zy: dewijl ook dit een der merktekenen van Christus was, dat hy van een zijner Leerlingen verraden,
en voor dertig zilverlingen verkocht zoude worden.
Of dit was te vergeefs voorspelt, of hy,
in wien 't vervult is, moet
de Messias zijn.
Gelukkig
wie zorgt voor de armen;
in kwade dagen zal de Eeuwige hem uitkomst geven
en hem beschermen en in leven houden,
men prijst hem gelukkig in het hele land.
"Lever hem niet uit aan zijn vijanden!"
Op zijn ziekbed zal de Eeuwige hem tot steun zijn.
"Hoe lang hij ook ziek ligt,
JIJ
keert zijn lot ten goede!"
Ik zeg:
"Eeuwige,
wees mij genadig,
genees mij,
ik heb tegen JOU gezondigd!"
Mijn vijanden verwensen mij, ze zeggen:
"Wanneer sterft hij en verdwijnt zijn naam?"
Wie mij bezoekt, heeft mooie woorden,
maar zijn hart is vol kwade gedachten;
staat hij buiten, hij spreekt ze uit.
Wie mij haten hopen het ergste voor mij en fluisteren aan mij bed tegen elkaar:
"Een dodelijke kwaal heeft hem geveld, wie zo ziek ligt, staat nooit meer op!"
Zelfs mijn beste vriend, op wie ik vertrouwde, die at van mijn brood,
heeft zich tegen mij gekeerd.
Toon mij, Eeuwige, jouw genade en laat mij opstaan,
dan zal ik hun gevenb wat ze verdienen.
Hieraan zal ik weten dat jij mij liefhebt:
als mijn vijand niet langer juicht,
als jij mij bijstaat, omdat ik onschuldig ben,
en mij voorgoed laat wonen in jouw nabijheid.
Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare,
zij verbrijzelen jouw kop,
jij bijt hen in de hiel!
Welgelukzalig
is dan ieder, die zich verstandiglijk draagt
omtrent den elendigen, diep vernederden,
en als uitgemergelden Messias, en niet geergerd word aan des zelfs lijden en kruisdood.
'T is hard, 't is onmenschlijk, ik beken 't, dat een Leerling zijnen Meester, een gunstgenoot zijnden wel-doender, een Apostel den Messias verrade en overlevere: maar hoe verfoeilijk ook die schenddaad mag zijn, men vind ;er echter een onwrikbaar bewijs in, dat Yehosjoea de Masjiach, en eenige grondslag des geloofs zy. Wie ergert zich dan aan dit voorval?
Wie ziet hier in niet een voorbeeld
van 't geen wy navolgen moeten?
We zullen zien.
Of niet.
