~*~
NOG
maar even
een klein stukje traditie
dat al meer dan 3000 {?} jaar meegaat
op andere 'meestgelezen' lijsten dan de populaire 'moderne' mydilijst
voor de broodnodige afwisseling en bedoeld als zeezout [en cayennepeper]
in de mydipap van 16-jarige maagden
en alles wat daaromheen hangt
en hijgt
...
ALLES
valt en staat
met definities, sentimenten
en [over-]gevoeligheden, dus wat let ons
om ook heen en weer te duiken en te vliegen
tussen al dat ijle en drukke gedribbel en getippel van knapen en maagden en al die andere
druiloren en dromedarissen, dickheads, dummies &
drollige demonen of hoe al die mydi'ertjes
zich ook mogen voordoen tussen
verschijnen en verdwijnen,
komen en
gaan
...
EEN
dringend gebed.
Wees niet vertoornd,
yhwh, straf mij niet, bedwing jouw woede, sla mij niet.
Diep zijn jouw pijlen in mij gedrongen, zwaar is jouw hand op mij neergedaald.
Door jouw toorn is niets aan mijn lichaam nog gaaf, door mijn zonden is niets van mijn gebeente
nog heel. Mijn schuld steekt hoog boven mij uit, als een zware last, te zwaar om te dragen.
Mijn wonden zweren en stinken vanwege mijn lichtzinnig leven.
Ik loop gebogen, diep gebukt, ik ga in het zwart gehuld,
dag in dag uit
...
IN
mijn lendenen
woedt de koorts,
niets aan mijn lichaam is nog gaaf,
ik ben uitgeput, gebroken, met bonzend hart schreeuw ik het uit.
Yahweh, al mijn verlangens zijn jou bekend, mijn zuchten is jou niet verborgen,
mijn hart gaat tekeer, mijn kracht ebt weg,
mijn ogen verliezen
hun glans
...
MIJN
liefste vrienden
ontlopen mijn leed,
wie mij na staan, houden zich ver van mij.
Mijn belagers lokken mij in de val, wie mijn ongeluk willen, spreken dreigende taal,
dag in dag uit verspreiden ze
leugens
...
MAAR
ik houd mij doof
en wil niet horen: ik doe als
een stomme mijn mond niet open,
ik ben als iemand die niet kan horen,
geen verweer komt uit mijn mond. Want op jou, "Yah", hoop ik, van jou komt antwoord, mijn heer en g d. Ik denk: Laten ze niet om mij lachen, niet triomferen nu mijn voet wankelt.
Want ik ben de ondergang nabij en altijd vergezelt mij de pijn.
Ik wil jou mijn schuld belijden, door mijn zonden
wordt ik gekweld
...
MAAR
mijn vijanden leven,
zij zijn sterk, zij zijn met velen en blind is hun haat.
Ze vergelden goed met kwaad en vallen mij aan, al zoek ik het goede.
Verlaat mij niet, Yahweh, mijn g d, blijf niet ver van mij.
Haast je mij te helpen, mijn heer, want jij bent
mijn redding
...
HET
is als
een gebed
bij krankheid en ziekte,
de dichter {Dawid/+/_ 1000 BC?}
voelt zijn ziekte eigenlijk als een kastijding en straf:
mijn overtredingen sluiten zich als pijngolven boven mijn hoofd samen
en als een drukkende last zijn ze mij te zwaar geworden.
Ik ben gekromd en neergebogen en de hele dag
ga ik gehuld in rouwgewaad,
ik ben krachteloos en
helemaal
kapot!
BIJ
dit lichamelijk
lijden en zielsverdriet
staan zijn vrienden machteloos.
Zij kunnen niet [meer] troosten: zij mijden
hem zodat zijn vijanden toestromen en listen beramen,
verwijten stapelen zich op verwijten en maken zijn [en onze] smart des te vreselijker
en schijnen onontkoombaar; het enige wat deze lijder aan smarten nog kan doen
is zich opsluiten in zichzelf:
ik ben als een dove die niet hoort,
als een stomme die zijn mond niet [meer] opendoet,
ik ben als een mens die niets meer verneemt
en in wiens mond geen tegenspraak
meer is?
IN
de eenzaamheid
trekt hij zich terug,
want - en dan klinkt zijn stem ineens
als een heldere klok,
die zijn vrienden en vijanden verwonderd
de ogen doet opslaan:
want JIJ,
o heer,
verwacht ik,
JIJ zult mij verhoren,
JOUW wordende en komende
aanwezigheid
in mij
...