Maar laat ons hier uit leren,
dat JC de eenige en waarachtige Hoogepriester zy,
die voor ons geleden heeft, om ons van lijden te verlossen.
Die voor ons geleden heeft, om ons de helangsten heeft overwonnen,
om ons met hemel-vreugde te verullen: laat ons ook tonen
deel aan zijn lijden en strijden te hebben,
en G ds toorn tegen de zonde
te vlieden.
Wie
kent G ds toorn,
en zijne verbolgenheid,
na dat hy te
vrezen is?
Heeft hy
zijnen Zoon niet gespaart,
en zoud hy u, halstarrige zondaar, sparen?
Zoud hy uwe zonden niet straffen?
Gy tergt den Allerhoogsten en Heiligsten, en zoud gy ongestraft blijven?
Zoud g d u gelijk worden? Zoud hy 't kwaad zien noch horen?
Treed in 't hofken van Gethsemane, ziet G ds Zoon in zijn angstvalligheid,
en hertbeklemmende droefheid: hoort hem die benauwde taal uitbrengen;
mijn ziel is geheel, en rondom bedroefd tot 'er dood toe.
En oordeeld zelfs, of G d de zonde wil,
of kan ongestraft laten.
Immers
was de Vader
niet vertoornt tegen zijnen Zoon:
want die is de Zoon zijner liefde,
en die heeft noit zonde gekent.
Zo was hy vertoornt tegen de zonde,
die de Zoon als Borg had op zich genomen.
Maar heeft Mosjiach daar onder zo moeten zuchten,
heeft hy daar voor zo moeten lijden;
wat vermaakt gy u dan in de zonde?
Wat verheugt gy u in de booze lusten des vleesches?
Ziet gy niet, hoe vervaarlijk het zy,
in de handen des levenden G ds te vallen?
Hebt gy uw geweten toegeschroeit,
dat gy noit dien scherpen prikkel der zonde hebt gevoelt?
Noit dien angel van een ontrust gewisse hebt geproeft?
Hoe schriklijk, hoe onverdraaglijk zal 't u zijn, als dat prangen,
dat knagen, dat duldeloos wroegen
u zal beklemmen, en noit,
en nergens rust vergunnen?
Als gy den toorn G ds zult zien ontsteken,
en 't onuitbluschlijk vuur ontbranden,
om u eindeloos
te straffen?
Als gy
in de verbazendste
verslagendheid zult uitroepen;
bergen valt op ons! bergen valt op ons!
verbergt ons voor 't aangezicht des geenen,
die op den troon zit,
en voor den toorn des Lams!
Valt G d in de roede,
om in zulk een oordeel niet te vallen.
Kust den Zoone, op dat hy niet toorne.
Doodt uwe ledemaaten en lusten.
Betreurt uwe misdaaden en ongerechtigheden.
Eascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer
handelingen weg van voor G ds
aldoordringend' ooge, laat af
van kwaad, en
leert goed
doen.
psalm 90
tfilah lemosjeh
isj-haelohiem
Heer,
jij bent ons een toevlucht
geweest van geslacht op geslacht
nog voor de bergen waren geboren
voor jij aarde en land had gebaard ~
jij bent, o g d, van eeuwigheid tot eeuwigheid
jij doet de sterveling terugkeren tot stof en zegt:
"
Keer terug, mensenkind!"
duizend jaar zijn in jouw ogen als de dag van gisteren die voorbij is,
niet meer dan een wake in de nacht
jij vaagt ons weg als slaap in de morgen
als opschietend gras dat ontkiemt in de morgen en opschiet,
en 's avonds verwelkt en verdort
wij komen om door jouw toorn,
door jouw woede bezwijken wij
jij hebt onze zonden voor je geleid,
onze geheimen onthuld in het licht van jouw gelaat
al onze dagen gaan heen door jouw woede,
wij beeindigen onze jaren in een zucht
zeventig jaar duren onze dagen,
of tachtig als wij sterk zijn
het beste daarvan is moeite en leed,
het gaat snel voorbij en wij vliegen heen
wie kent de kracht van jouw toorn,
wie vreest oprecht jouw woede?
leer ons zo onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult
keer je tot ons, EEUWIGE ~ hoe lang nog?
ontferm je over jouw dienaren
vervul ons in de morgen met jouw liefde,
laat ons van blijdschap juichen,
al onze dagen
geef ons vreugde,
vergoed de dagen dat jij ons kwelde,
de jaren dat wij ellende doorstonden
toon je daden aan jouw dienaren,
maak jouw glorie bekend aan hun kinderen
laat ons jouw genade zien, Heer Yahweh, onze g d
bevestig het werk van onze handen,
het werk van onze handen,
bevestig dat
ik zag
toen het zesde zegel verbroken werd
hoe er een zware aardbeving kwam
de zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood
de sterren vielen op de aarde
zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt
de hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op
geen berg of eiland bleef op zijn plaats
koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzielijken, slaven en vrije mensen
iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen
ze riepen de bergen en de rotsen toe:
val op ons neer!
verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam!
want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken,
en wie kan die doorstaan?
hoor toe, hemel,
geef gehoor, aarde
YHWH
heeft gesproken:
ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht
maar ze zijn tegen mij in opstand gekomen
een rund herkent zijn meester
een ezel kent zijn voederbak
maar Israel mist elk inzicht
mijn volk leeft in onwetenheid
wee dit ontrouwe volk, vol ongerechtigheid
volk van zondaars, verdorven geslacht
zij hebben de heer yahweh verlaten
de heilige van Israel versmaad
hem de rug toegekeerd
ben je nu niet genoeg geslagen
verzet jij je nog altijd?
heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek
van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden:
een en al wonden en builen en striemen
niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht
je land is verwoest, je steden zijn verbrand
vreemden stropen onder je ogen de akkers af
vreemdelingen maken alles tot een woestenij
wat rest er nog van Tsion?
het is als een hut in een wijngaard
een schuilkeet in een komkommerveld
een stad in het nauw
had de heer van de hemelse machten ons niet een laatste rest gelaten
het zou ons zijn vergaan als sodom en qoemran
hoor de woorden van de heer, leiders van sodom
geef gehoor aan het onderricht van onze g d, volk van qoemran
wat moet ik met al jullie offers, zegt yhwh
ik heb genoeg van al die schapen, die vetgemeste kalveren;
het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer
en wanneer jullie voor mij verschijnen ~
wie heeft je gevraagd om mijn voorhoven plat te lopen?
houd toch eindelijk eens op met al die zinloze offergaven
ik heb een afschuw van jullie wierook;
jullie feesten, nieuwemaan en sjabbat
ik duld ze niet naast al dat wangedrag
van jullie nieuwemaan, van AL jullie feesten heb ik een afkeer
ze hinderen mij, ik kam ze niet langer meer verdragen
wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af
ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet
aan jullie handen kleeft bloed!
was je, reinig je
maak een eind aan je misdaden'ik kan ze niet meer zien
vermijd alle kwaad en leer goed te doen
zoek het recht, houd tirannen in toom
bied wezen bescherming,
sta weduwen bij

DAT
soort teksten
van meer dan
2700 jaar geleden was
de bron waaruit Yehosjoea
en zijn voorgangers & volgelingen dronken:
en waarin ze leerden van oorzaken
en gevolgen
