Getroffen branden dwaas dom onverstandig verlicht?
In zulken zin
vatten veele Godgeleerden het Grieksch,
kaiomenee, gelijk onze Overzetters het ook verduitscht hebben door branden,
om dien heiligen gloed aan te wijzen, die 't harte doet blaken
in liefde tot G d en evenmensch.
Anderen evenwel verstaan het geheel anders,
en door kalomenee, niet brandende, maar
dom, onverstandig, verdwaasd.
'T is ook waar,
dat by LXX. Overzetters het woord, bagnar,
niet alleen door kaioo, ik brande,
maar ook door morainoo, ik ben of worde dwaas, en aphroneuoo, ik handel dwaaslijk,
word vertaalt.
Als men onderstelt,
dat zy hier zich zelven betichten, en hunnen wanopmerkzaamheid, zal men erkennen moeten,
dat het zeer oneigen zoude zijn, te zeggen,
brandden onzen harten niet?
Want hoe konden hunnen harten branden,
en
YEHOSHOEA
hen
onbekend
blijven?
Zoud dat
branden
te beschuldigen,
of prijslijk zijn?
Beschuldigen zy zich zelven,
het moet van onwetendheid, van ongevoeligheid,
van domme blindheid, en onbegrijplijke duisternisse des verstands zijn,
waar door zy meer dan onredelijken dieren, als verstandige
menschen gelijk waren.
En zo betuigt
DAWIED,
of liever de waar- geoeffende worstelaar, dien
AZAF {PS 73}
invoert, dat hy was
onvernuftig, of
redenloos & onzinnig,
als een groot beest
by G d.
ACH TOV LEYISRAEEL ELOHIEM LEVAREI LEEVAV:
Ja, g d is go{e}d voor Yisraeel, voor wie zuiver zijn van hart!
Toch had ik bijna een misstap begaan, bijna waren mijn voeten uitgegleden,
want ik keek met afgunst naar de dwazen, benijdde het [ogenschijnlijk] geluk van wie kwaad doen.
Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard, hun buik is goedgevuld, aardse kwellingen kennen zij niet, het lijden van anderen gaat aan hen voorbij?
Daarom is hoogmoed hun halssieraad en bedekt geweld hen als een mantel, hun ogen puilen uit het vet,
van eigenwaan zwelt hun hart. Ze spotten, spreken kwaad en dreigen vanaf hun hoge zetels, ze zetten 'n
mond op tot aan de hemel en hun tong roert zich overal op aarde!
Daarom lopen de mensen achter hen aan, drinken hun woorden in als water en zeggen:
"Hoe zou G d iets weten? Heeft de Allerhoogste een antwoord?"
ZO
zijn de goddelozen ten voeten uit, ze verrijken zich, onverstoorbaar ...
Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver en waste ik mijn handen in onschuld! Want
IK
werd gestraft, dag aan dag, en geslagen,
elke morgen weer.
Maar zou ik zijn als zij, ik pleegde verraad aan G ds kinderen! Dus bleef ik nadenken,
ik wilde weten waarom - het was een vraag die mij kwelde, tot ik G ds heiligdom binnenging en mij hun einde voor ogen bracht. Ja,
JIJ
zet hen op een glibberig pad en stort hen in een diepe afgrond. In een oogwenk is het met hen gedaan, hun ondergang, hun einde is een verschrikking. Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer, bij het opstaan verjaag jij ze als beelden uit een droom.
Zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en dwaas,
was ik bij jou als een redeloos dier!
Maar nu weet ik mij altijd bij jou,
jij houdt mij aan de hand en leidt mij volgens jouw plan:
DAN
neem
JIJ
mij weg,
met eer bekleed! Wie buiten
JOU
heb ik in de hemel? Naast jou
wens ik geen ander
op aarde!
Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is G d,
nu en altijd!
Wie ver van jou blijven,
komen om, wie jou ontrouw zijn,
verdelg jij! Bij G d te zijn
is mijn enig verlangen,
mijn toevlucht vind ik
bij de
EEUWIGE G D:
van al jou daden
zal ik verhalen
...

Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende