'joden, christenen, hindoes. boeddhisten, moslims & politici' e.d. zijn
daad ...
Er
zijn ook
aanwijzingen dat Yehosjoea's
onderricht aan zijn leerlingen niet geheel duidelijk was
en dus later verklaard &
nader uitgelegd
moest worden.
Aan het eind van die vermelde
[doorvertelde/herschreven] gesprekken zegt hij namelijk:
"Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd
dat ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen
["openlijk", parrhesiai]
over de Vader
vertel!" {YOH 16:25}.
Wanneer de leerlingen daarop zeggen [in 16:29]:
"Ja, nu spreek je rechtstreeks ["openlijk", en parrhesiai]
en niet in beelden!",
dan lijkt het alsof zij op dat moment
alles hebben begrepen, maar volgens sommige commentatoren is dit juist
een typisch voorbeeld van de ironie van dit vierde euangelium;
de leerlingen dachten wel dat ze op dat moment alles
al begrepen hadden, maar dat
was ten onrechte.
Dit betekent
dat Yesjoea's onderricht in 't euangelie van Yochanan/Johannes
zelfs voor zijn naaste leerlingen niet volkomen begrijpelijk was.
Terecht wijzen exegeten erop dat Yesjoe's woorden in YOH 16:25
begrepen moeten worden met betrekking tot de periode
NA
zijn opstanding,
wanneer hij weer tot hen zal [gaan] spreken door de Geest,
zoals hij volgens dit evangelie al had aangekondigd.
De Geest,
die in dit evangelie ook wel 'de Trooster'
[of: 'pleitbezorger',
parakletos] heet,
zal dan namens Yesjoe spreken, zal zijn leerlingen in herinnering brengen
wat hij hun ook al eerder
gezegd had en zal hun [voortaan] de weg wijzen
naar 'de volle waarheid' {zie Yoh 14:16-17;
14:26; 15;26; 16:7-15; 20:22}!
Sommigen verklaren
dat hiermee is bedoeld dat de Geest vervolgens Yesjoea's
openbaring voortzet en een dieper inzicht hierin zal geven,
maar inhoudelijk niet echt iets nieuws zal gaan
verkondigen ten opzichte van hetgeen "JC"
al eerder in dit evangelie
'geopenbaard' had.
Dat er van het evangelie van YOH
niet de suggestie uitgaat dat er, behalve hetgeen erin is opgeschreven,
ook nogt een geheime, 'esoterische' leer van Yehosjoea bestaat,
wordt ten stotte bevestigd door hetgeen hij zegt
wanneer hij door de hogepriester Chanan/Annas wordt verhoord
na zijn arrestatie in de hof. Yesjoe
zegt dan:
"Ik heb in 't openbaar ['openlijk', parrhesiai] tot de wereld gesproken.
Ik heb zo steeds ook mijn onderricht gegeven op al die plaatsen waar de Joden bij elkaar komen,
in synagogen en in de Tempel, en nooit heb ik iets
in het geheim gezegd!" {18:20}!
Dit lijkt strijdig te zijn
met het gegeven dat Yehosjoea volgens dit evangelie
kort hiervoor nog lange gesprekken afzonderlijk met zijn naaste leerlingen heeft gevoerd?
Uit deze ambivalentie kunnen we constateren dat het niet de bedoeling van deze evangelist was,
dat deze afsluitende gesprekken zouden worden opgevat als een wezenlijk andere
of diepere leer dan hetgeen Yesjoea daarvoor
in het openbaar al
had gezegd?
Ook de tweevoudige afsluiting
van dit evangelie spreekt tegen dat er naast dit euangelium ook nog een geheim onderricht
van "JC" zou zijn. Weliswaar wordt er verwezen naar 'nog veel meer' dat Yesjoe gedaan
heeft, maar dat is lang niet allemaal opgeschreven om de eenvoudige reden
dat het boek anders veel te dik zou worden
{21:25}!
Deze schrijver
maakt zonder omwegen duidelijk
wat het doel is van hetgeen
WEL
is opgenomen,
namelijk dat de lezer op grond daarvan gelooft
dat Yesjoea de beloofde Masjiach/gezalfde/verlosser/bevrijder is,
de {een} Zoon van G d, en door {dit} te geloven 'leeft' door 'zijn naam'
{20:31}! Het zijn dus niet 'zomaar' namen,
maar namen met een diepere betekenis!
YHWH = 'ik ben', 'die ik was &
aan 't worden ben/zal zijn', 'de eeuwige aanwezige
komende in & onder ons via 't 'g dsrijk' der hemelen', door 'de geest'!
Yesjoea = 'g d redt': door Geest!
Adam = 'mens'
{'rode rivierklei/bloed'},
Ewa = 'moeder van leven', vruchtbaarheid via alle planten/dieren.
Deze "G d" {Elohiem/Yahweh} vormt de mens uit stof, uit aarde {planten/dieren}:
'blaast ons zijn levens-adem in de neus om ons tot 'n levend wezen te maken
door zijn geest {wind}, naar zijn/haar
beeld/gelijkenis!
Deze
g d[en], mens[en],
man, vrouw/kind/mensenkind[eren]
wonen in 'een tuin tussen rivieren', 'brengen de mens voort'
uit planten en dieren om die tuin te bewerken en erover te waken:
eten en drinken in overvloed met na verloop van tijd de kennis, het besef,
't inzicht, de gewaarwording, de bewustzijnsverruiming,de 'ontdekking' van go{e}d & kwaad, gezond/ongezond, schoonheid
& 'slechtheid'?
Een kwestie
van oorzaken en gevolgen.
EEN
alleen is maar verdrietig:
we willen doorgaan &
'samenzijn'!
De mens
benoemt zo alles
wat we tegenkomen,
geeft er een naam, betekenis, bedoeling aan voortaan.
Naakt en zonder schaamte aanvankelijk. Nieuwsgierig altjd
naar alles waarmee we
te maken kregen.
Bijna
als 'goden':
kennis vergarend over
dit alles en nog veel meer
in vele duizenden eeuwen op aarde.
We ontwikkelen onze culturen via gebaar & mimiek, daad en woord,
veeteelt, landbouw, woning
& steden.
Vol
van crises{bestrijding}
door die verworven vaardigheden
van geluk & ongeluk,
gezondheid &
ziekte.
Vanaf
'het begin' af aan
'zat het er al in' &
wat erin zit komt er vroeger of later uit:
vandaar ook
myDi!

