Vertrouwen en
scepsis,
euforie en cynisme,
ze wisselen elkaar per
bladzijde af.
Op de ene pagina
verkeert de auteur met G*D op schijnbaar intieme voet,
op de andere wijst hij HEM hardvochtig terecht.
Op de ene pagina staat G*D voor het diepste in de mens zelf,
op de andere belichaamt HIJ het toeval,
het noodlot,
de geschiedenis of
~ bij K. is het onvermijdelijk,
zo bleek al ~
Auschwitz ....
~@~
Is er dan
geen enkel beeld,
geen enkele omschrijving die zich
aan de tegenstellingen
onttrekt?
~@~
Die een
synthese aanbrengt
en al die enkelvoudige,
onderling vaak onverenigbare uitspraken
met elkaar
verzoent?
~@~
Voor K. is schrijven
een dagelijkse oefening in opstijgen,
in ontstijgen,
en die voert hij ook uit ten aanzien van zijn religieuze intuities
en theologische
redenaties.
~@~
"Als ik
"G*D" zeg,
is dat natuurlijk uitsluitend een metafoor,
zoals trouwens alles wat ik zeg,
nauwkeuriger gezegd:
wat ik KAN zeggen,
wat met woorden is uit te drukken,
een metafoor is."
~@~
Zodra hij
de juiste afstand vindt,
zodra de mysticus in hem terrein wint,
beseft hij opnieuw
dat WARE religiositeit in de eerste plaats een kwestie is van stijl,
van taal
~ van een taal
die over iets heen moet,
die zichzelf bijna tenietdoet,
het verstand tart zonder inhoudsloos
te worden.
De mystiek
verdraagt geen mysterie,
vergt uiterste precisie,
juist OMDAT
haar natuur zo
mysterieus
IS!
~
DAAROM
komt het altijd aan op de formulering,
die aan kracht wint naarmate ze exacter weet
af te omlijnen
wat aan de ratio
ontsnapt.
~@~
"De werkelijke naam
van het transcendente is 'niets'
{zie: yhwh e.d.!},
maar daarom is het
niet minder
transcendent!"
~@~
EEN van K.'s
meest urgente g*dsnamen is
zonder twijfel het Niets
{MET of Zonder hoofdletter}.
Maar er zijn andere aan te wijzen,
niet minder
urgent.
Zo
doet g*d zich bij hem
ook voor als de
Ontkenner,
een wezen met een vergelijkbare,
superieure ironie als Nietzsche ooit
de Griekse goden
toedichtte.
De Ontkenner
is een g*d die voortdurend om ons bestaan lacht,
ons confronteert met de ficties waarmee we ons door het leven slaan,
ons doet inzien dat ons 'ik'
een pover bedenksel
is,
een
taaie schil om een kern waarin het woordje ik
oplost als een druppel water
in de
oceaan.
~@~
Deze g*d,
het laat zich raden,
is natuurlijk ook de eerste om zijn eigen bestaan te loochenen,
alle bewijzen van het tegendeel
met milde spot
aanhoort.
~@~
In het
volgende {laatste} deel
laat de Ontkenner
zich even zien,
in gezelschap van een oude
theologische bekende,
de Voorzienigheid.
~@~
Maar NU
ga ik eerst
een dutje doen voordat het licht
weer
aanbreekt ...
~@~
See you
{maybe}
LATER!
chai a.v.o.
@
irminloo


