blijkt te zijn ...
Alle verhalen
kunnen daarom
eindeloze variaties blijven vertonen:
het gaat over 'hetzelfde', maar dan toch altijd weer [iets/erg] anders,
aangepast aan omstandigheden
van binnenuit & van buitenaf -
't leeft!
Met Iov/Job
waren we gebleven bij 'g d' [aka 'de eeuwige']
die tegen satan de duivel zei:
'Okay, doe met hem dan maar wat je wilt,
maar spaar zijn leven!' Hierop
vertrok satan
de duivel en hij
overdekte Iov van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren.
Iov pakte een potscherf wegens de jeuk om zich te krabben,
terwijl hij in het stof
en het vuil zat.
Zijn vrouw zei tegen hem:
'Waarom blijf je zo onberispelijk?
Vervloek God toch
en sterf!'Maar Iov
zei tegen haar:
'Jouw woorden zijn de woorden van een dwaas.
Al het goede aanvaarden we van God,
zouden we dan het kwade
niet aanvaarden?'Ondanks alles
zondigde Iov niet
en sprak hij geen enkel
onvertogen
woord.
Drie
vrienden van Iov,
Elifaz uit Teiman, Bildad uit Sjoeach & Tsofar uit Na'ama,
hoorden van de rampspoed die hem had getroffen,
en ze besloten
hem op te
zoeken.
Onderweg
ontmoetten ze elkaar,
en samen gingen ze naar hen toe
om hun medeleven te tonen
en hem te
troosten.
Toen ze Iov
vanuit de verte zagen
herkenden ze hem niet,
en ze barstten uit in luid geweeklaag,
ze scheurden hun kleren
en wierpen stof omhoog
over hun hoofd.
Zeven dagen
en zeven nachten
bleven ze naast hem op de grond zitten
zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen
hoe vreselijk hij leed.
Daarna
opende Iov zijn mond
en vervloekte de dag
van zijn geboorte.
Hij zei:
'LAAT DE DAG
DAT IK GEBOREN BEN
VERGAAN,
EN OOK DE NACHT DIE ZEI:
"Een jongen is verwekt!"
LAAT DIE DAG
EEN DAG VAN DUISTERNIS WORDEN,
LAAT GOD IN DE HEMEL ER GEEN ACHT OP SLAAN.
LAAT DIE DAG NIET BADEN IN HET LICHT.
LAAT HET DIEPSTE DONKEN HEM OMHULLEN,
EEN DICHTE WOLK HEM BEDEKKEN
EN EEN ZONSVERDUISTERING HEM TEISTEREN.
LAAT HET DONKER DIE DAG WEGNEMEN,
ZODAT HIJ GEEN DAG VAN HET JAAR VERGEZELT,
EN GEEN PLAATS VINDT IN DE REEKS DER MAANDEN.
LAAT DIE NACHT ONVRUCHTBAAR WORDEN -
EEN NACHT WAARIN GEEN VREUGDEKREET OPKLINKT.
LATEN ZIJ DIE HET LICHT WEKKEN DIE DAG VERVLOEKEN,
ZIJ DIE HET WAGEN OM LIVJATAN TE VERSTOREN.
ZELFS DE OCHTENDSTERREN ZULLEN NIET VERSCHIJNEN,
DIE DAG VERWACHT TEVERGEEFS DE KOMST VAN HET LICHT
EN ZAL NOOIT DE WIMPERS VAN HET MORGENROOD ZIEN.
HIJ OPENDE DE DEUREN VAN MIJN MOEDERS BUIK,
HIJ HIELD HET ONGELUK NIET VOOR MIJ VERBORGEN.
WAAROM BEN IK NIET IN HAAR SCHOOT GESTORVEN,
NIET GESTIKT TOEN IK TER WERELD KWAM!
HADDEN KNIEEN MIJ MAAR NIET ONTVANGEN
EN BORSTEN MIJ MAAR NIET GEZOOGD!
Dan zou ik nu geborgen in de aarde liggen, dan zou ik geen zorgen hebben,
ik zou slapen, omringd door koningen en raadsheren, bouwers van paleizen, al vergaan tot puin,
tussen de machtigen die goud bezaten en die hun huis met zilver vulden.
Was ik maar als een misgeboorte weggestopt, als een kind dat het licht nooit heeft gezien.
In het dodenrijk worden de goddelozen stil, zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust.
Gevangenen worden niet meer opgejaagd, de stem van de drijver horen ze niet meer.
Daar zijn hoog en laag verzameld en is de slaaf vrij van zijn meester.
Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen,
het leven aan verbitterden?
Zij wachten op de dood die uitblijft, ze zoeken
naar hem, meer dan naar schatten;
hun vreugde kent geen grenzen, ze jubelen
als ze hun graf gevonden hebben.
Waarom geeft God het licht aan hem
voor wie de weg verborgen blijft,
wie hij de weg verspert?
Ik heb geen ander voedsel
dan verdriet, mijn klachten stromen
in een vloed van tranen.
Wat ik vreesde, komt nu over me,
wat mij angst aanjoeg,
heeft me getroffen.
Ik vind geen vrede,
vind geen kalmte,
mijn rust is weg ~
onrust bevangt
mij!'
't
Kan verkeren:
tussen 'deel', voordeel,
aandeel, tegendeel
& 'mededelen'
...
