Maar hy betoont niet alleen met woorden, dat hy de roekeloosheid van zijnen Apostel wraakt, hy zal ook den gekwetste helpen: hy raakt het oor van Malchus aan, en heelt hem.
Die zo even voor het woord van Mosjiach was achterwaards gedreven, word nu door zijne hand genezen.
Een bewijs, dat hy de Oppermedecijn meester zij, en zijnen vyanden zelfs wil leren go{e}d doen.
Maar of Malchus door dit wonderwerk bewogen, en tot JC bekeerd zy, gelijk sommigen willen,
zoud hen te bewijzen staan. Dus neemt JC de vermoedens en beschuldigingen weg, dat hy roovers, moorders, oproermakers, in zijn gevolg hebbe. Wat zoud het niet geschreeuws verwekt hebben,
zo Malchus voor den Raad, en voor zijnen Meester, met een gekwetst, of afgehouwen oor,
verschenen ware? Wat zoud 'er meer, en anders van nooden zijn geweest,
om die geweldenarijen te bewijzen, als die ongeoorloofde wond.
Nu heelt JC die 't oor geschapen heeft, die oor-wond, en bewijst krachtdaadig zijn onschuld.
Van Malchus wend hy zich tot de krijgsbende, Overpriesteren, Hoofdmannen, Ouderlingen des volks,
en allen, die tegen hem gekomen waren: want sommigen uit den grooten Raad,
om de zaak wisser te nemen, hadden zich tot deezen nacht-togt mede begeven,
gelijk reeds aangemerkt is.
Gy zijt uitgegaan, zegt JC met zwaarden en stokken, als tegen eenen moordenaar, om my te vangen.
Thans was 't Joodenland vervuld met struikroovers, en moordenaars,
en de Hoogoverheid ter beveiliging der reizigers voornaamlijk by Jericho,
genoodzaakt hier en daar bezettinge te leggen, om de veelvuldige bloedstortingen te verhoeden.
De gedurige scheidbrieven, kwaade opvoedingen der aterlingen,
toomlooze weerbarstigheid der wetijveraars, en snoode toelatinge der Landvoogden,
die hun aandeel van den roof genoten hadden, hadden die moordenaars ongelooflijk vermenigvuldigt.
Tegen dit geboefte deed men nu en dan, gewapenderhand heir- en uittogten: en dus,
zegt JC zijt gy tegen my, als een booswicht, en voorganger van moordenaars uitgetogen,
schoon 'er in mijn levensbedrijf, noch zweem, noch schijn van oproer te vinden zy,
want dagelijks zat ik by u in den Tempel, lerende en onderwijzende,
en gy hebt my niet gegrepen.
De Leermeesters zaten doorgaans wat verhevender, als hunne Leerlingen,
en hoewel daar in op verscheidene tijden, de gewoonte schijnr verscheide te zijn geweest,
was echter ten tijde van JC het zitten in algemeen gebruik.
Daar toe waren de tempelvoorhoven, galerijen, bovenkameren;
ook een Synagoog og oeffenplaats op den Tempelberg binnen den ringmuur,
hoedanige oeffenplaatsen de Jooden wel 460 tellen binnen Yeroesjalayiem.
Alle dagen onderwees Mosjiach het volk in den Tempel.
Dus betoonde hy zich dien Opperleeraar der gerechtigheid,
die grooter was als Mosjeh: maar dus was hy ook daaglijks in de magt der Tempel-wachters,
en binnen den Tempelmuur besloten; en had zonder krijgsbende konnen gevat worden,
doch zy grepen hem niet, als hy daar onderwees.
Gelijk JC zelf zegt: gy hebt my niet gegrepen.
Geen wonder, hoe zouden zy hem durven grijpen, als hy de waarheid leerde?
Hoe hadden zy geen oproer verwekt, indien ze hem gegrepen hadden, terwijl hy al het volk onderwees?
Ook kondenze de leerstukken uit Mosjeh, en de Profeeten niet wederleggen noch wraken.
Noit sprak iemant, als hy.
