wy hebben eene wet, en naar onze wet moet hy sterven, want hy heeft zich G ds Zoon gemaakt, dat is, genaamt: en dus tegen den Keizer Tiberius, tegen wien men ligtlijk misdoen konde, Majesteitschennis bedreven.
Dat het dus,
en niet van 'g dlastering', moet verstaan worden, blijkt uit het doldriftig roepen zelfs:
kruist hem! kruist hem!
want G dlasteraars wierden gesteenigt, niet gekruist.
Die taal verbaast den verlegen Landvoogd, te meer, om dat het Heidendom veele Goden verdicht,
en Zoonen der zelven begrepen had, en die voor halve Goden hield.
Dierhalven gaat hy weder binnen,
en ondervraagt Yehosjoea nogmaals:
van waar zijt gy? Van Godlijk, of menschlijk geslacht? Van de aarde, of van den hemel?
Een God, of mensch?
Zijne geboortestad wist hy,
en vraagt by gevolg daar niet na: maar of hy God in menschen schijn was?
Dat is Yesjoea waarlijk, doch niet, zo als 't Pilatus begreep!
Yesjoe is de Immanuel, de mensch-G d, de Wonderzoon van G d & Miryam.
Maar die verborgendheid begreep de Landvoogd niet, en konde hem in deezen zaakgwrichten
niet uitgelegd worden.
Ook zwijgt JC, en antwoordt niet een eenig woord.
Dierhalven duwt Pilatus hem toe:
spreekt gy tot my niet, die uw Richter ben, die magt heb u te kruisigen, en los te laten, te straffen,
of vrijheid te gunnen, als die des Keizers plaats hier beklede?
Hier op antwoord JC
gy zoud geen magt op my hebben, indien het u van boven niet gegeven ware.
Daarom die my aan u heeft overgelevert, heeft grooter zonde!
Judas, en Jooden, wil hy zeggen, zijn verantwoordlijk voor G d:
maar gy zult van uwe handelingen, en dat gy iemant, dien gy zelf onschuldig verklaart, straf, en kruisigen
wilt, rekenschap moeten geven voor hem, door wien de Koningen heerschen!
Dit treft den Landvoogd in 't hart, en doet hem op nieuwe middelen denken, om Yehosjoea vrij te laten.
Maar de Jooden dat merkende, roepen oproeriglijk:
indien gy deezen los laat, zijt gy des Keizers vriend niet: een ieder, die zich Koning maakt, wederspreekt den Keizer. Gy zijt van den Keizer over dit Land gestelt, om oproer te stuiten, en zult gy deezen oproerigen, die zich voor Koning der Jooden opwerpt, niet straffen, en 't gezach des Keizerts dus laten trappen? zo maakt gy u handdaadig aan dezelve misdaad, en zijt een vyand, geen vriend van Cezar!
Hier over ontzet zich de Landvoogd, en meer voor den Keizer Tiberius, dan voor G d vrezende, laat hy Yesjoea van binnen 't Rechthuis, buiten voor de vierschaar, en 't gantsche volk brengen, zet zich op den Rechterstoel, ter plaatze van den marmersteenen vloer, die aardigi ingeleid, verheven, en van alle kanten zichtbaar, om van daar het doodvonnis tegen JC te vellen, en hem ter kruisstraf over te geven:
maar tot bewijs, dat hy zulks in weerwil deed, brengt hy Yesjoe weder voor 't volk, en zegt:
ziet uwen Koning:
meinende door de tegenwoordigheid van dien elendigen, die niets minder als Koning geleek, de Jooden tot mededogendheid te bewegen.
In tegendeel nemen zy 't euvel op, en roepen, als verwoed;
neemt weg! neemt weg! kruist hem! kruist hem! wy hebben geen Koning, wy kennen geen Koning, dan Tiberius, en zijnen Stadhouder!
Pilatus ziende, dat hy niets vorderde, maar de hollende menigte gaande wierd, en een schroomlijk oproer dreigde, neemt water, wascht de handen in aller tegenwoordigheid, en zegt: ik ben onschuldig van het bloed deezes rechtvaardigen, gylieden moogt toezien!
Hy wil door 't handwasschen betuigen, vrij van bloedschuld te willen zijn, en reine handen te behouden: gelijk de Jooden die plegtigheid dus gebruikten, als zy in 't veld een lijk vonden, en de doodslager onbekend was.
Want schoon de Heidenen ook hunnen reinigingen, en waterwasschingen hadden, waar door zy de bedrevene misdaaden waanden te zuiveren, kan dit hier niet gelden: maar de Landvoogd wascht 'er niet alleen de handen af, hy voegt 'er nog, eene zesmaal herhaalde betuiging van 's Heilands by, en noemt
hem den rechtvaardigen.
Zoi sprak ook zijne huisvrouw, maar even met zo weinig vrucht, want de toomloze schaar roept, en schreeuwt op die nadruklijke betuiging: zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen!
Zo wenschen zy G ds wraak over zich zelven, en over de kinderen die ons natuurlijker wijze, zo lief, of liever zijn, als wy ons zelven. Zeker dragen de nakomelingen doorgaans de vloek-straffen van der ouderen misdaaden; en wierden by de Heidenen zelfs hun nageslacht toegewenscht.
Onbezonne schaar! wat wenscht gy? wat tergt gy G ds wrekende hand?
Kan het bloed, dat de Verrader onschuldig verklaart, dat de Rechter zo dikwijls, en ernstig, onnozel erkent, en daar by de handen van afwascht, kan dat bloed ongewroken, en gy, en uwe kinderen, strafloos blijven?
Hoe zwaar, hoe vervaarlijk zal de vloek u treffen!
Hoe verbazend, hoe onlijdelijk dat bloed op u rusten, als G d zal komen, en u, en uwe stad, en Tempel, en kinderen door vuur, en zwaard, em honger vernielen, en ballingen 's lands doen zwerven!
Hoe zult gy dan treurren, maar te laat, dat gy dit bloed vergoten, en G ds Zoon vertreden hebt!
ZO
hebben al
onze gevoelens, gedachten,
daden & nalatingen oorzaken
& gevolgen voor
de rest van
ons leven
...
Tussen
Oerknal &
Eindkrimp liggen
leven en dood
verborgen in
ons
...