Wanneer er gezegd werd:
'Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig, als tijdens de opstand -
wie waren het dan die zijn stem hoorden en toch opstandig werden?
Waren dat niet degenen die onder Mosjehs leiding uit Egypte waren weggetrokken?
Wie werden er veertig jaar lang door zijn woede getroffen?
Waren dat niet degenen die gezondigd hadden en van wie de lijken neervielen in de woestijn?
En aan wie zwoer hij dat ze niet zouden binnengaan in zijn rust
-
toch zeker aan hen die ongehoorzaam waren?
Zo zien we dat zij er niet konden binnengaan vanwege hun ongeloof!
Aangezien die belofte om binnen te gaan in "G ds rust" nog steeds van kracht is,
moeten we ervoor waken dat iemand van jullie ook maar de schijn wekt deze gelegenheid
aan zich voorbij te laten gaan.
Want aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als indertijd aan hen:
maar anders dan voor wie het in geloof aannemen, was het verkomdigde woord voor hen niet heilzaam.
Omdat wij echter geloven, gaan we binnen in de rust waarvan eerder sprake was:
'In mijn toorn heb ik gezworen:
"Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust"' -
en dat terwijl zijn werk toch al met de grondvesting van de wereld voltooid werd!
Over de zevende dag wordt immers ergens gezegd:
'En op de zevende dag rustte G d van al zijn werk,'
terwijl hier wordt gezegd:
'Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.'
Het staat dus vast dat er wel mensen in
KUNNEN
binnengaan. En omdat zij aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is,
er vanwege hun ongehoorzaamheid niet zijn binnengegaan, legt G d nu opnieuw een dag vast, een 'vandaag', waarover hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen:
"HOREN JULLIE VANDAAG ZIJN STEM, WEES DAN NIET KOPPIG!" Was de rust hun al door Yosjoea gegeven,
dan zou G d daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken.
Er wacht het volk van G d dus nog steeds een sjabbatsrust?!
En wie is binnengegaan in zijn rust, vindt rust na zijn werk zoals G d na het zijne.
Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust,
en zo voorkomen dat ook maar iemand fit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. Want levend en krachtig is het woord van G d, en [veel] scherper dan een tweesnijdend zwaard:
het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken,
en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.
Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen,
alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem
aan wie wij rekenschap moeten afleggen
['ons geweten']!
Nu wij 'n hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan,
Yehosjoea,
de Zoon van G d,
moeten we vasthouden aan het geloof dat wij belijden.
Want de hogepriester die wij hebben is er een die met [al] onze zwakheden kan meevoelen,
juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld,
met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde.
Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige,
waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden!
{"Bismillah Rachmanoerachiem"}
[{(!)}]
...
