Wat
vertoont o.a.
de 24ste PSALM anders,
dan 's Heilands grootmagtig Koninkrijk in aanvang,
& laater tijd van 't NT als alle rijken des Heeren,
& zijns Gezalfden moeten zijn?
Wat is
PSALM 31, 40, 41, 45, 47, 50, 68, 69, 72, 82, 87, 91, 93, 95, 100,
en zo veele anderen meer,
want alle aan te halen,
ware een oneindig werk, wat, zeg ik, is PSALM 22,
en voor al 45, 69 en 88, dan een levendig vertoog van 's Heilands lijden
& heerlijkheid?
Ziet maar
om alle anderen voorby te gaan
Psalm 110, daar word DAWIEDS Wonder-zoon,
de GEZALFDE, die ZOON en HEER te gelijk van DAWIED is,
gelijk de FARIZEEN erkennen moeten, ingevoert, als GEZETEN aan 's Vaders RECHTERHAND,
in volheerlijke Opper-majesteit, na zijne vernedering & toebrenging van de reinigmakinge onzer zonder: want hy is de groote Hoogepriester, die in den Vreden-raad aanbood,
zijne ziel tot een schuldoffer te stellen, om zaad,
of een eigendom te zien, en dus is hy Priester
naar de ordening van MELCHITSEDEK,
niet van AHARON,
wiens Priesterschap vergaan moest;
maar JC net een' eedzwering van den Vader
voor de grondlegging der weereld aangesteld,
zond als KONING, HOOGEPRIESTER, en OPPERLEERAAR zitten,
en rusten van den arbeid zijner
ziele, en alles
zich onder-
werpen.
ZIT
AAN MIJNE
RECHTERHAND,
zegt den Vader tot den Zoon,
TOT DAT IK UWE VYANDEN GESTELT HEB
TOT EEN VOETBANK UWER VOETEN.
DE HEERE ZAL DEN SCHEPPER UWER STERKTE ZENDEN UIT TSION,
zegt een hoog verlichte spreker tot den MOSJIACH,
& HEERSCH IN 't
MIDDEN UWER
VYANDEN
...
NEOEM YHWH LA'ADONAI SJEV LAYEMINI AD-ASJIET OYVEICHA HADOM LERAGLEICHA; MATEEH OEZCHA YISJLACH YHWH MITSION REDEEH BEKEREV OYVEICHA; AMCHA NEDAVOT BEYOM CHEILECHA BEHADREI-KODESJ MEERECHEM MISJCHAR LECHA TAL YALDOETEICHA; NISJBA YHWH WELO YINACHEEM ATAH-CHO-HEEN LEOLLAM AL-DIVRATIE MELHIE-TSEDEK; ADONAI AL-YEMINCHA MACHATS BEYOM-APO MELACHIEM; YADIEN BAGOYIEM MALEE GEWIOT MACHATS ROSJ AL-ERETS RABAH; MINAVHAL BADERECH YISJTEH AL-KEEN YARIEM ROSJ:
De
EEUWIGE
spreekt tot mijn heer:
"Neem plaats aan mijn rechterhand,
ik maak van je vijanden een bank voor je voeten!"
Uit Tsion reikt de EEUWIGE jou de scepter van de macht,
jij zult heersen over jouw vijanden.
Jouw volk staat klaar op de dag dat jij ten strijde trekt.
Op de heilige bergen
[in heilige pracht],
uit de schoot van de dageraad,
komt tot jou de dauw van jouw jeugd
[ik heb jou verwekt].
De EEUWIGE heeft gezworen,
& komt op zijn eed niet terug:
"JIJ
bent
priester voor eeuwig,
zoals ook Malki-Tsedek
[rechtmatig koning volgens
mijn besluit]
was!" De Heer
aan jouw rechterhand
verplettert koningen op de dag
van zijn toorn.
Hij berecht de volken,
verplettert hoofden, overal op
aarde, hun lijken
stapelen zich
op.
Hij drinkt
onderweg uit de beek
en dan heft
hij zijn
hoofd
...
