HIJ
WÀS TOEN
HIJ GEROEPEN WERD!
Wanneer je als slaaf geroepen bent,
zou je dàt nu eigenlijk niets meer moeten
kunnen schelen (hoewel je de kàns om ècht
vríj te WÒRDEN zeker
benùtten moet)?
Want een slaaf
die door dé Héér geroepen is, ìs àl 'n vrij-
gelatene vàn de heer, zoals degene die als vrij man geroepen is 'n slaaf
van de Masjiach ìs! Want nú zíjn we àllen gedoopt in één en de-Zèlfde Géést èn Dáárdóór àls één Lichaam geworden,
ÀLLEN zíjn we van één Géést doordrenkt, òf we nu úit het Joodse Vòlk òf úit een ander volk àfkòmstig zijn, & of we nu slaven of vrije mensen zijn? Immers, een lichaam bestaat níet uit één déél, maar uit Véle. Als de vóet zèggen zóu:
"IK BEN GEEN HAND, DÙS ÌK HÓÓR NÍET BIJ HET LICHAAM!" hoort hij er DÀN wèrkelijk níet bij? En/of als het oor zou zeggen:
"ÍK BEN GEEN OOG, DUS IK HOOR NIET BIJ DIT LICHAAM!" hóórt het er dan ook wèrkelijk níet bij? ÀLS het héle lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kùnnen hóren? Als het héle lichaam óór zijn zou, waarmee zou het dan kunnen rúiken? G d hééft zó nu eenmaal aan àlle lichaamsdelen, zintuigen, organen, spieren, botten & bloedvaten hùn éigen Plááts gegéven,
precies zoals Híj dàt ook wìlde?!
ÀLS ze slèchts
met elkaar één lichaamsdeel vòrmen zouden,
zóu dàt dan één Lichaam zijn? Óók àl sprak ìk nu de tálen van àlle mensen èn die
van de boodschappende engelen - maar ìk hàd de Líefde níet, ik zou niet veel méér zijn DÀN 'n
dreunende gòng of een schèlle cimbaal! Àl hàd ìk de gáve òm te profeteren èn dóórgròndde ík àlléén gehéimen,
al bezàt ik àlle KÈNNIS èn hàd ik 't (bij)geloof dat óók BÈRGEN verzètten kòn èn hèn verpláátsen - hàd ìk de líefde níet,
ìk zóu helemaal níets zijn! Àl verkocht ik al m'n bezittingen, omdat ik bv. Voedsel aan de Àrmen GÉVEN wìlde, en ook al gàf ìk
mijn lìchaam príjs èn kòn ìk dáár tròts op zijn - had ik de liefde niet,
't zou mij allemaal niets báten?!
De lìefde ìs gedùldig
èn vòl met gó(e)d(delijk)heid:
DE LÍEFDE KÈNT GÉÉN ÀFGUNST, GÉÉN IJDEL VER-TÓÓN ÈN GÉÉN
ZÈLFGENÓEGZAAMHEID; zíj ìs níet gròf èn níet zelfzuchtig, ze láát zich níet bóós maken
èn rékent het kwade níet áán, ze verheugt zich niet
over het ònrecht maar vìndt vreugde
ìn dé WÁÁRHEID!
Àlles verdraagt zij,
alles GELÓÓFT zij, alles hóópt zij &
ìn alles volhardt ze!
De liefde zàl nóóit vergaan.
Profetieën verdwijnen,
klanktaal verstomt, kennis gaat verloren - want òns kènnen Schíet tékòrt
net zoals ons profeteren erg bepèrkt is?!
ÀLS 't Volmaakte kòmt
zàl al wat beperkt is verdwijnen!
Tóen ik nog 'n kìnd wàs spràk ik àls 'n kìnd,
dàcht ik als een kind, redeneerde ik als een kind!
Nú ìk VÒLWÀSSEN BÈN HÈB ìk àl 't kinderlijke achter me gelaten:
nú en híer kíjken we nòg als in een wázige spíegel, maar straks STÁÁN we
óóg ìn óóg. Nú ìs m'n kènnen nog beperkt,
maar straks zàl ook ìk 't volledige kènnen,
zóàls ikzèlf gekènd BÈN.
Òns
resten nu zó
nog steeds gelóóf,
hóóp èn líefde, déze dríe,
maar de grootste daarvan ìs al de liefde:
jáág háár ná & streef naar de gaven v/d Géést, vooral ook naar die v/d profetie;
iemand die in 'tongen'~klanktaal spreekt, spreekt níet tot mènsen maar alleen maar tot g d:
niemand kàn HÈN verstáán, want door toedoen v/d Géést spreekt men onbegrijpelijk terwijl iemand die profeteert
spreekt tot mènsen, & wàt hij zègt ìs òpbóuwend, troostend èn bemoedigend.
Iemand die spreekt i/d één of andere 'tongen/klanktaal'
is dáár àlléén zèlf bij gebaat: wie profeteert
doet dat ten bate
v/d Geméénte!
Ìk zou wìllen dat jullie allen
in tongentaal konden spreken, maar ik wìl nòg liever dat je profeteert:
de profeet ìs nùttiger dan iemand die onverstaanbaar brabbelt,
tenzij hij úitlègt wàt hij zègt, zodat héél de
Geméénte G ds hier
báát bij
hééft?!