Zo voert ons
het geloof boven al 't zienlijke!
Zo moet 't niet alleen in zienlijke dingen bestaan,
maar in g ds woord, & heilbelofte gegrond zijn!
Daarom spreekt 'JC' zalig,
DIE NIET ZULLEN ZIEN,
ECHTER GELOVEN.
Wat bewijs,
wat redenkaveling,
wat gezicht is 'er van nooden,
daar g d spreekt, & dingen leert,
die vleesch en bloed niet konnen leren?
IS HET GELOOF EEN BEWIJS VAN DINGEN,
DIE MEN NIET ZIET?
Zo
kan het
niet oprecht & zaligmakend zijn,
of het moet op g ds woord gegrond zijn, & het toekomende,
als tegenwoordig omhelzen,
& 't onzichtbaare zien.
Dies strijd
dit zeggen niet tegen de woorden,
die Yesjoea elders uit, als hy zegt: UWE OOGEN ZIJN ZALIG, OM DAT ZY ZIEN,
EN UWE OOREN, OM DATZE HOREN!
Daar spreekt Yehosjoea van den dag der zaligheid,
in tegenstellinge van den ouden dag der schaduwen,
wanneer veele Profeeten & rechtvaardigen, die als wachters reikhalsden na de komste van de Zonne der
gerechtigheid, verlangden om te zien, het geen de H.Apostelen zagen bewaarheid, die nu het licchaam der schaduwen aanschouwden, en de vervullingen der g dlijke beloften, als die in Yesjoe alle ja & amen,
waarachtig en beminlijk waren. Zo zagen allen JC niet aan, en dierhalven waren de gelukkige oogen der Apostelen niet alleen uit- maar inzonderheid inwendig verlicht & daar in gelukkiger dan alle die gelovige
wachters, die de vertroostinge Israels verwacht,
maar noit gezien hebben.
Dies vind ROMEN in de woorden des Heilands geene minste verdeding van hun wangedrocht, en zo ge-naamde TRANSSUBSTANTIATIE, als of men die geloven moest, schoon men het licchaam des Heilands in 't brood noch zie, noch taste, noch proeve.
Maar dit volgt even zo wel, als de broodverandering zelve uit de woorden van d'instellinge des H.Avond-maals: en zo men alle harssenvonden moet aannemen, zonder bewijs, zonder reden, zonder g ds woord,
en dat blindling zal moeten geloven alles, war 'er gezegt en verdicht word, zo zal het geloof geen geloof,
maar enkele dwaasheid en bespotlijke zinloosheid zijn.
't Geloof, zeggen wy nogmaals, moet op g ds woord alleen gegrond zijn, & de zaligheid niet van Paapen-
droomen afhangen. Yehosjoea spreekt hier ZALIG, DIE NIET ZIEN; EN ECHTER GELOVEN, ik beken 't, maar
zal men daarom geloven moeten, het geen tegen g ds woord, tegen de offerande van JC, tegen den aart
der Sakramenten of bondzegelen, tegen de reden, tegen de zinnen, tegen de 12. Geloofs-artijkelen, tegen het aaloud geloof der Christenheid, en tegen alles aanloopt?
Yesjoea spreekt ZALIG, DIE NIET ZIEN, het is waar, maar zegt hy daar mede, dat zijn licchaam ONZICHTBAAR zy? Hoe beroept hy zich dan op de wonden van zijne handen, en voeten, en zijde?
Hoe verschijnt hy dan aan Thomas? Hoe overwint hy dan zijn ongeloof?
Dit niet ZIEN, toont ons dan geen onlicchaamlijk licchaam, maar het waarachtig, en zaligmakend geloof,
dat niet in zien, maar in aannemen van g ds getuigenisse bestaat.
DIE NIET ZULLEN ZIEN EN GELOVEN, zijn dierhalven de Gelovigen van den laateren dag, die leven zouden, na dat JC ten hemel gevaren, aan 's Vaders rechterhand gezeten, en niet meer onder de menschen licchaamlijk tegenwoordig zoude zijn.
Want hy moest als Koning heerschen, niet alleen in de eerste Aposteltijden, maar tot eaan het einde der
weereld, & by gevolg aangenomen worden van menschen, die hem moit gezien hadden, noch licchaamlijk
zouden zien, zo word hy nog daaglijks voor onze oogen GEKRUIST, schoon wy hem niet ZIEN.
Zo word hy ons nog onophoudlijk voorgestelt, met alle zijne GRAVEERSELEN,
schoon wy hem niet AANSCHOUWEN.
Zo moet hy gelooft en niet gezien worden,
tot dat hy zichtbaarlijk op de wolken des hemels wederkomen zal, en
GEZIEN worden van die hem DOORSTEKEN hebben.
Wel ligt zal CHRISTOS ook daarom, in den ONBEPAALDEN tijd gesproken hebben,
IDONTES, ziende, PISTEUSANTES, gelovende, om den gantschen tijdloop des NT uit te drukken, en dien TEGENWOORDIGEN Aposteltijd aan te wijzen,
nu de JOODEN niet alleen, maar ook de HEIDENEN, die verre waren, en hem noit GEZIEN hadden,
geroepen zouden worden: maar te gelijk ook den TOEKOMENDEN tijs te vertonen,
als hy 't Joodendom verworpen, en 't Heidendom uitlokken, en in de TENTEN VAN SJEM zoude doen ingaan: als hy de Afgoden voor de VLEDERMUIZEN zoude doen werpen, de Christenheid zeeghaftig rijden op de hoogte der aarde, de ketters en kettersche mensen beschamen, den Antichrist vernielen, en de
VOLHEID DER HEIDENEN doen ingaan, en gantsch Israel ZALIG worden.
In en door alle die tijdbedeelingen, zoud die waarspreuk vervuld zijn:
ZALIG ZIJNZE, DIE NIET ZIEN
EN ECHTER GELOVEN.


