HET GELUIDLOOS VALLEN DER SCHELLEN
Het
is eene
oude, en algemeene
stelling der oude Wijsgeeren, dat de
ZINNEN KONDEN DWALEN.
Dit,
meinden zy,
wierd door onwederspreeklijke
ondervindingen bekrachtigt,
en de daaglijksche ervarendheid bevestigde hen in dit gevoelen:
want om datze dikwijls van verre eenige voorwerpen hadden gezien,
die van naby zich geheel anders vertoonden, besloten zy daar uit,
dat de uiterlijke zinnen dwalen moesten,
en de voorwerpen niet getrouwlijk,
of naar waarheid aan de ziel
overbrengen.
'T is waar,
dat een hooge tooren,
die vierhoekig is, van verre zich op doet als rond, en dat een schip diep in zee zich vertoont als klein,
en zeer gering, al was het ook het aller grootste, en kloekste,
dat oit zee bouwde.
Maar wie besluit daar uit, dat de zinnen bedriegen?
Wie bewijst daar mede, dat onze zinnen dwalen?
Konnen zy de voorwerpen anders overbrengen, als zy die ontfangen?
Indien zy altijd bedriegen,
hoe worden wy dan oit gewaar, dat wy kwalijk geoordeelt hebben, en het schip niet klein,
maar groot, en kloek, en de tooren niet rond, maar vierhoekig,
of meer-kantig zy.
Waren wy niet te voorbaarig in 't oordelen,
wy zouden niet mistasten: maar als de tusschen-wijdte verhindert, dat alle de hoeken des toorens,
of de waare grootheid van 't schip, onze oogen aandoen, en wy echter oordeel vellen van de voorwerpen, die wy zo gebreklijk, en niet in alle deelen, of aan alle kanten beschouwen konnen, is 't geen wonder,
dat het oordeel gebreklijk zy, en dat wy dwalen
in onze al te voorbaarige besluiten.
Moest die ondervindinge ons niet voorzichtig maken,
en zo lang onz oordeel doen opschorten, tot dat wy op eene behoorlijke tusschen-wijdte,
de voorwerpen naar waarheid mogten beschouwen, de hoeken van den tooren onderscheiden,
de grootheid van het schip af meten,
en dus regtmaatig oordeel vellen.
Zouden de zintuigen ons dan wel bedriegen?
Zouden wy dwaalen?
Dies hapert het niet aan de zinnen, maar aan de voorbaarige wanbesluiten.
Want de zinnen zelve leren ons beter oordelen,
als men op de behoorlijke tusschen-wijdte de woorwerpen ziet,
en aandoeninge daar van krijgt.
En dit is zo algemeen bekend, en aangenomen,
dat men de zinnen doorgaans tot onfeilbaare getuigen roepe
in zaaken van geschil.
En wie zal in twijfel trekken,
wie wraken durven, als iemant in opregtigheid zegt:
"IK HEB HET ZELF GEZIEN?"
Het
zalig uiteinde
van onze eigen neus, wormvormige uitsteeksels,
kauwgumoog oogballen & versmeltende oor- & voorhoofdskwabben
hoeft nog niet te betekenen dat je helemaal niet verder kijkt dan hij lang is,
of dat blindheid, helderziendheid, kortzichtig- of langdradigheid
't summum zijn van genot & ietwat rijper ervaring,
terwijl er altijd weer [dag in dag uit] 'n nieuwere wereld is te ontdekken aan wat onze handen
vinden te doen, de voeten te gaan, onze kloppende harten & tedere
zintuigen: dwars door ogenschijnlijke verpakkingen uitpakken
& geheimzinnige willen inhouden testen
vol verrassingen die uitnodigen
tot hergeboorte, satori, zen
& nirvanahemel i.p.v.
de gebruikelijke
'bommeldingen'
...
